ECLI:NL:HR:2008:BD1942

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 mei 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/13607 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Rechters
  • F.H. Koster
  • A.J.A. van Dorst
  • W.M.E. Thomassen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 12 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek wegens ontbreken ernstig vermoeden persoonsverwisseling

De aanvraagster verzocht om herziening van twee in kracht van gewijsde gegane vonnissen van de Politierechter te 's-Gravenhage, waarin zij veroordeeld werd voor diefstal gepleegd in 1993 en 1994. De aanvraag tot herziening was gebaseerd op het argument dat sprake zou zijn van persoonsverwisseling, omdat een ander sinds 1998 gebruik zou maken van een legitimatiebewijs met haar persoonsgegevens.

De Hoge Raad beoordeelde of deze omstandigheid het ernstig vermoeden kon wekken dat ook ten tijde van de bewezenverklaarde feiten sprake was van persoonsverwisseling. Uit de beoordeling bleek dat deze enkele omstandigheid onvoldoende was om het ernstig vermoeden te rechtvaardigen.

Daarmee was niet voldaan aan de wettelijke vereisten voor herziening, die eisen dat nieuwe feiten of omstandigheden het ernstig vermoeden moeten wekken dat het oorspronkelijke onderzoek tot een andere uitkomst had geleid. Het verzoek werd daarom afgewezen.

De uitspraak bevestigt de strikte criteria voor herziening en benadrukt dat latere feiten niet automatisch leiden tot twijfel over eerdere veroordelingen zonder concrete aanwijzingen.

Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af wegens ontbreken van een ernstig vermoeden van persoonsverwisseling tijdens de bewezenverklaarde feiten.

Uitspraak

20 mei 2008
Strafkamer
nr. 07/13607 H
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van
A) een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van 6 maart 1996, nummer 09/905834-95, en
B) een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van 30 maart 1994, nummer 09/009013-93, ingediend door mr. M.R. Mantz, advocaat te 's-Gravenhage, namens:
[aanvraagster], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraken waarvan herziening is gevraagd
De Politierechter heeft de aanvraagster bij het onder A vermelde vonnis ter zake van "diefstal", gepleegd op 9 november 1994, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van een week.
De Politierechter heeft de aanvraagster bij het onder B vermelde vonnis ter zake van "diefstal, meermalen gepleegd", gepleegd op 9 april 1993 onderscheidenlijk 28 april 1993, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv Pro slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.2. In de aanvrage wordt aangevoerd dat sprake is van een persoonsverwisseling, nu de aanvraagster "ten onrechte aangemerkt is geweest als verdachte steeds omdat vrijwel zeker een andere persoon steeds haar naam vals opgaf wanneer die persoon werd aangehouden".
3.3. Als bijlage bij de aanvrage zijn onder meer gevoegd:
- een proces-verbaal van politie van 26 maart 1999, inhoudende dat de aanvraagster aangifte doet tegen [betrokkene] ter zake van oplichting en het opgeven van een valse naam, nu deze [betrokkene] vanaf ongeveer 3 september 1998 gebruik zou maken van een legitimatiebewijs waarop de persoonsgegevens van de aanvraagster staan vermeld.
- een beschikking van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 21 februari 2003, gegeven naar aanleiding van het door de aanvraagster ingediende beklag op grond van art. 12 Sv Pro wegens het niet vervolgen van een of meer strafbare feiten die ten opzichte van haar zouden zijn begaan door [betrokkene]. Deze beschikking houdt als beslissing van het Hof in dat de aanvraagster niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar beklag wat betreft het gedeelte dat handelt over oplichting en dat het beklag wordt afgewezen wat betreft het gedeelte dat handelt over het opgeven van een valse naam.
3.4. De enkele omstandigheid dat een ander vanaf ongeveer 3 september 1998 gebruik zou hebben gemaakt van een legitimatiebewijs waarop de persoonsgegevens van de aanvraagster staan vermeld, kan niet het ernstig vermoeden wekken dat ook ten tijde van de bewezenverklaarde feiten, te weten op 9 november 1994 (zaak A) en op 9 en 28 april 1993 (zaak B), van een dergelijke persoonsverwisseling sprake is geweest.
3.5. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de aanvrage kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 20 mei 2008.