ECLI:NL:HR:2008:BD1942
Hoge Raad
- Herziening
- F.H. Koster
- A.J.A. van Dorst
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek wegens ontbreken ernstig vermoeden persoonsverwisseling
De aanvraagster verzocht om herziening van twee in kracht van gewijsde gegane vonnissen van de Politierechter te 's-Gravenhage, waarin zij veroordeeld werd voor diefstal gepleegd in 1993 en 1994. De aanvraag tot herziening was gebaseerd op het argument dat sprake zou zijn van persoonsverwisseling, omdat een ander sinds 1998 gebruik zou maken van een legitimatiebewijs met haar persoonsgegevens.
De Hoge Raad beoordeelde of deze omstandigheid het ernstig vermoeden kon wekken dat ook ten tijde van de bewezenverklaarde feiten sprake was van persoonsverwisseling. Uit de beoordeling bleek dat deze enkele omstandigheid onvoldoende was om het ernstig vermoeden te rechtvaardigen.
Daarmee was niet voldaan aan de wettelijke vereisten voor herziening, die eisen dat nieuwe feiten of omstandigheden het ernstig vermoeden moeten wekken dat het oorspronkelijke onderzoek tot een andere uitkomst had geleid. Het verzoek werd daarom afgewezen.
De uitspraak bevestigt de strikte criteria voor herziening en benadrukt dat latere feiten niet automatisch leiden tot twijfel over eerdere veroordelingen zonder concrete aanwijzingen.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af wegens ontbreken van een ernstig vermoeden van persoonsverwisseling tijdens de bewezenverklaarde feiten.