ECLI:NL:HR:2008:BD2433

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 oktober 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
00586/07
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WVW 1994Art. 107, eerste lid, WVW 1994Art. 427 SvArt. 9a SrArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid cassatieberoep bij overtredingen Wegenverkeerswet 1994

In deze strafzaak betrof het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage de verdachte die werd veroordeeld voor overtreding van artikel 5 en Pro artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Het hof legde een geldboete van €250,- op, subsidiair vijf dagen hechtenis, en daarnaast twee weken hechtenis voor een andere overtreding.

De kern van de procedure was de ontvankelijkheid van het cassatieberoep tegen het arrest. Volgens artikel 427, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is cassatie tegen arresten betreffende overtredingen slechts mogelijk indien niet uitsluitend een geldboete tot maximaal €250,- is opgelegd. Omdat hier ook hechtenis werd opgelegd, oordeelde de Hoge Raad dat het beroep ontvankelijk was, ook voor het deel dat betrekking had op de geldboete.

Na verwijzing voor nadere conclusie door de Advocaat-Generaal concludeerde deze tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad stelde vast dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en verwierp het beroep. Hiermee bleef het arrest van het hof in stand.

De uitspraak verduidelijkt de toepassing van artikel 427 Sv Pro omtrent de ontvankelijkheid van cassatieberoep bij gecombineerde straffen van geldboete en hechtenis bij overtredingen van de Wegenverkeerswet.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling van de verdachte voor overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994.

Uitspraak

21 oktober 2008
Strafkamer
nr. 00586/07
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 22 januari 2007, nummer 22/004223-06, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.A.J. Verploegh, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld.
1.2. De Hoge Raad heeft bij tussenarrest van 27 mei 2008 de verdachte ontvankelijk in zijn beroep geoordeeld, ook ten aanzien van de onder 2 bewezenverklaarde overtreding. Voormeld tussenarrest is aan het onderhavige arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
1.3. Omdat de Advocaat-Generaal zich in zijn conclusie niet had uitgelaten over alle middelen, heeft de Hoge Raad bij zijn tussenarrest - onder aanhouding van iedere verdere beslissing - de zaak verwezen naar de rol voor het nemen van een nadere conclusie door de Advocaat-Generaal over de op feit 2 betrekking hebbende middelen.
1.4. De Advocaat-Generaal Schipper heeft bij aanvullende conclusie geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 21 oktober 2008.
27 mei 2008
Strafkamer
nr. S 00586/07
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, van 22 januari 2007, nummer 22/004223-06, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage, van 3 juli 2006 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 1 tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 2. "overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994" en 3. "overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld ten aanzien van feit 2 tot het betalen van een geldboete van € 250,-, subsidiair vijf dagen hechtenis en ten aanzien van feit 3 tot hechtenis voor de duur van twee weken.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.A.J. Verploegh, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Schipper heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep voor zover het is gericht tegen het onder 2 bewezenverklaarde feit en tot verwerping van het beroep voor het overige.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.1. Het bestreden arrest heeft - voor zover hier van belang - betrekking op (2.) overtreding van art. 5 WVW Pro 1994 en (3.) overtreding van art. 107, eerste lid, WVW 1994 ter zake waarvan het Hof de verdachte heeft veroordeeld tot een geldboete van € 250,-, subsidiair vijf dagen hechtenis, onderscheidenlijk hechtenis voor de duur van twee weken.
3.2. Ingevolge het tweede lid van art. 427 Sv Pro staat tegen arresten van de gerechtshoven betreffende overtredingen beroep in cassatie open behoudens indien (a) met toepassing van art. 9a Sr geen straf of maatregel werd opgelegd of (b) geen andere straf of maatregel werd opgelegd dan een geldboete tot een maximum - of wanneer bij het arrest twee of meer geldboetes zijn opgelegd, tot een gezamenlijk maximum - van € 250,-.
3.3. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat ter zake van de overtreding sub 3 hechtenis is opgelegd, kan de verdachte ook worden ontvangen in zijn beroep voor zover dat is gericht tegen de oplegging van de geldboete ter zake van de overtreding sub 2. Deze uitleg van art. 427 Sv Pro strookt met de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling, die - voor zover hier van belang - inhoudt:
"ingeval het vonnis of arrest verschillende, gevoegde overtredingen betreft, dient voor de "appellabiliteit" te worden gekeken naar het totaal van de opgelegde boetes. Eventueel daarbij nog gevoegde misdrijven dienen echter buiten beschouwing te worden gelaten; dáárvoor geldt de hoofdregel van artikel 404, eerste lid, en artikel 427, eerste lid (wèl hoger beroep en cassatie). Het "overtredingendeel" en het "misdrijvendeel" van een vonnis of arrest moeten dus voor wat betreft de openstaande rechtsmiddelen apart worden behandeld." (Kamerstukken II 1997-1998, 26 027, nr. 3, p. 26).
4. Slotsom
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn beroep voor zover dat is gericht tegen de beslissingen ter zake van de overtreding sub 2. Nu de Hoge Raad de verdachte wel ontvankelijk acht in zijn beroep tegen de beslissingen ter zake van die overtreding en alle voorgestelde middelen bespreking behoeven, behoort de Advocaat-Generaal in de gelegenheid te worden gesteld zich alsnog uit te laten over de middelen die onbesproken zijn gebleven. Daartoe dient de zaak naar de rolzitting te worden verwezen.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verwijst de zaak naar de rolzitting van 3 juni 2008;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 27 mei 2008.