ECLI:NL:HR:2008:BD2433
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J.M. Corstens
- J. de Hullu
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid cassatieberoep bij overtredingen Wegenverkeerswet 1994
In deze strafzaak betrof het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage de verdachte die werd veroordeeld voor overtreding van artikel 5 en Pro artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Het hof legde een geldboete van €250,- op, subsidiair vijf dagen hechtenis, en daarnaast twee weken hechtenis voor een andere overtreding.
De kern van de procedure was de ontvankelijkheid van het cassatieberoep tegen het arrest. Volgens artikel 427, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is cassatie tegen arresten betreffende overtredingen slechts mogelijk indien niet uitsluitend een geldboete tot maximaal €250,- is opgelegd. Omdat hier ook hechtenis werd opgelegd, oordeelde de Hoge Raad dat het beroep ontvankelijk was, ook voor het deel dat betrekking had op de geldboete.
Na verwijzing voor nadere conclusie door de Advocaat-Generaal concludeerde deze tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad stelde vast dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en verwierp het beroep. Hiermee bleef het arrest van het hof in stand.
De uitspraak verduidelijkt de toepassing van artikel 427 Sv Pro omtrent de ontvankelijkheid van cassatieberoep bij gecombineerde straffen van geldboete en hechtenis bij overtredingen van de Wegenverkeerswet.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling van de verdachte voor overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994.