ECLI:NL:HR:2008:BD2566
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J.M. Corstens
- J. de Hullu
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt vermindering ontnemingsbedrag met vordering benadeelde partij
In deze zaak stond een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal. De betrokkene, die destijds gedetineerd was, stelde cassatieberoep in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het bedrag aan de Staat moest worden betaald, met een bepaling van dat bedrag op € 101.458,-, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van cassatie niet tot vernietiging konden leiden en dat geen reden bestond om ambtshalve tot vernietiging over te gaan. Daarbij bevestigde de Hoge Raad dat, gelet op artikel 36e lid 6 Sr, het mogelijk en praktisch is om het ontnemingsbedrag te verminderen met de aan de benadeelde partij toegekende vordering.
Het arrest werd gewezen door de vice-president Corstens als voorzitter en de raadsheren de Hullu en Splinter-van Kan. Het beroep werd verworpen, waarmee het arrest van het Gerechtshof Amsterdam in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het ontnemingsbedrag wordt vastgesteld op € 101.458,-.