ECLI:NL:HR:2008:BD3191

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 juni 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
43801
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25b Wet IB 1964
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Belasting van waardeaangroei blote eigendom landbouwgrond zonder vereiste beschikking

Belanghebbende verwierf in 2000 de blote eigendom van landbouwgrond. Op grond van artikel 25b lid 1 Wet IB 1964 werd een bedrag van €4686 tot zijn belastbare inkomen gerekend. De aanslag werd opgelegd in december 2003. In maart 2005 stelde de Inspecteur een beschikking vast zoals bedoeld in artikel 25b lid 5 Wet IB 1964.

Belanghebbende betoogde dat deze beschikking een constitutief vereiste was voor het belasten van de jaarlijkse waardeaangroei en dat belasting niet mocht worden geheven voordat die beschikking was genomen. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Hoge Raad bevestigde dit oordeel.

De Hoge Raad oordeelde dat noch de tekst noch de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 25b Wet IB 1964 steun biedt voor het standpunt van belanghebbende. De beschikking is niet vereist voor het vaststellen van de aanslag. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.

Het arrest bevestigt de belastingheffing over de waardeaangroei van blote eigendom zonder dat een beschikking ex artikel 25b lid 5 Wet IB 1964 constitutief noodzakelijk is.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting over de waardeaangroei van blote eigendom blijft gehandhaafd.

Uitspraak

Nr. 43.801
6 juni 2008
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank te Leeuwarden van 7 december 2006, nr. AWB 06/689, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instantie
Aan belanghebbende is voor het jaar 2000 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd.
De Rechtbank heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Belanghebbende heeft in 2000 de blote eigendom van enige percelen landbouwgrond verworven. Te dier zake is bij hem ingevolge artikel 25b, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) een bedrag van € 4686 tot zijn belastbare inkomen over dat jaar gerekend. De desbetreffende aanslag is opgelegd met dagtekening 10 december 2003.
3.1.2. Op 22 maart 2005 heeft de Inspecteur een beschikking als bedoeld in artikel 25b, lid 5, van de Wet afgegeven.
3.2. Belanghebbende herhaalt in cassatie zijn betoog dat de bedoelde beschikking een "constitutief vereiste" is voor het belasten van de jaarlijkse waardeaangroei van de blote eigendom van de grond en dat, nu die beschikking ten tijde van het vaststellen van de aanslag nog niet was genomen, die waardeaangroei niet mag worden belast.
3.3. De Rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat voor belanghebbendes betoog geen steun is te vinden in de tekst of de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 25b van de Wet. Het middel faalt.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer L. Monné als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en A.H.T. Heisterkamp, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2008.