ECLI:NL:HR:2008:BD4170
Hoge Raad
- Herziening
- F.H. Koster
- A.J.A. van Dorst
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek wegens ontbreken ernstig vermoeden van niet-ontvankelijkverklaring
De aanvrage tot herziening betrof een vonnis van de politierechter te Maastricht waarin de aanvrager bij verstek was veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden wegens illegaal verblijf als ongewenste vreemdeling. De aanvrage stelde dat de rechtbank het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk had verklaard in een eerdere procedure en dat de politierechter hetzelfde had moeten doen of een minder zware straf toepassen indien hij bekend was geweest met bepaalde stukken die door de verdediging waren overgelegd.
De Hoge Raad overwoog dat krachtens artikel 457 Sv Pro voor herziening meer vereist is dan de enkele mogelijkheid dat de politierechter tot een andere beslissing zou zijn gekomen. Uit het vonnis van 1 november 2006 bleek niet dat de rechtbank haar oordeel had gebaseerd op de door de verdediging overgelegde stukken. Bovendien was er een kopie van de dagvaarding met aantekeningen van de politierechter waaruit bleek dat deze bekend was met het vonnis van de rechtbank.
Daarom wekten de overgelegde stukken geen ernstig vermoeden dat het onderzoek tot vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging, niet-ontvankelijkverklaring of toepassing van een minder zware straf zou hebben geleid. De Hoge Raad besloot de herzieningsaanvraag af te wijzen en bevestigde daarmee het eerdere vonnis.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af wegens ontbreken van een ernstig vermoeden voor niet-ontvankelijkverklaring of minder zware straf.