ECLI:NL:HR:2008:BD4882
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- A.J.A. van Dorst
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad zet onvoorwaardelijke gevangenisstraf om wegens overschrijding redelijke termijn
De verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem veroordeeld voor medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet, met een gevangenisstraf van zes maanden waarvan 87 dagen voorwaardelijk, een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 200 uur. De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep gericht op de overschrijding van de redelijke termijn en onvoldoende motivering van de gevangenisstraf.
De Hoge Raad constateerde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden doordat de stukken pas ruim twee jaar na het instellen van het cassatieberoep werden ingediend. Dit leidde tot strafvermindering door omzetting van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf in een geheel voorwaardelijke straf met een proeftijd van twee jaar.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat het hof niet voldeed aan het strafmotiveringsvoorschrift voor de gevangenisstraf, maar dat dit geen reden was voor vernietiging omdat de verdachte geen rechtens te respecteren belang had door de strafvermindering. De overige middelen werden verworpen en het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren op 30 september 2008.
Uitkomst: De onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden is omgezet in een geheel voorwaardelijke straf met een proeftijd van twee jaar wegens overschrijding van de redelijke termijn.