ECLI:NL:HR:2008:BD4882

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 september 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/11337
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • A.J.A. van Dorst
  • J.W. Ilsink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 3 OpiumwetArt. 359 SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad zet onvoorwaardelijke gevangenisstraf om wegens overschrijding redelijke termijn

De verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem veroordeeld voor medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet, met een gevangenisstraf van zes maanden waarvan 87 dagen voorwaardelijk, een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 200 uur. De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep gericht op de overschrijding van de redelijke termijn en onvoldoende motivering van de gevangenisstraf.

De Hoge Raad constateerde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden doordat de stukken pas ruim twee jaar na het instellen van het cassatieberoep werden ingediend. Dit leidde tot strafvermindering door omzetting van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf in een geheel voorwaardelijke straf met een proeftijd van twee jaar.

Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat het hof niet voldeed aan het strafmotiveringsvoorschrift voor de gevangenisstraf, maar dat dit geen reden was voor vernietiging omdat de verdachte geen rechtens te respecteren belang had door de strafvermindering. De overige middelen werden verworpen en het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren op 30 september 2008.

Uitkomst: De onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden is omgezet in een geheel voorwaardelijke straf met een proeftijd van twee jaar wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

30 september 2008
Strafkamer
nr. 07/11337
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 14 juli 2005, nummer 21/000431-04, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar enkel voor zover het de strafoplegging betreft en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep wordt berecht en afgedaan.
1.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsvrouwe op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
2. Beoordeling van het eerste en het zesde middel
2.1. Het eerste middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden. Het zesde middel behelst de klacht dat het Hof de opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf onvoldoende heeft gemotiveerd. De Hoge Raad zal de middelen gezamenlijk behandelen.
2.2. Het Hof heeft de verdachte ter zake van twee feiten, telkens opleverende "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan zevenentachtig dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van tweehonderd uren, subsidiair honderd dagen hechtenis. Het Hof heeft die strafoplegging als volgt gemotiveerd:
"Het hof acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk aanwezig gehad grote hoeveelheden hennepplanten die zich bevonden in professioneel ingerichte hennepkwekerijen.
De hennep(planten) bevonden zich in speciaal voor de kweek ingerichte zeecontainers. In Barneveld ging het daarbij om tien containers, in Amersfoort werden zes containers gebruikt.
Het hof heeft, ten voordele van verdachte, in aanmerking genomen dat hij niet eerder terzake van Opiumwetdelicten is veroordeeld.
Het hof acht voor de afdoening van deze zaak een gevangenisstraf en een werkstraf van na te noemen duur op zijn plaats."
2.3.1. Het eerste middel is gegrond. De verdachte heeft op 20 juli 2005 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn eerst op 8 augustus 2007 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.
2.3.2. In (a) het excessieve tijdsverloop tussen het instellen van het cassatieberoep en de binnenkomst van de stukken, (b) het ontbreken van enig aanknopingspunt dat deze langdurige dadenloosheid van de justitiële autoriteiten zou kunnen rechtvaardigen of op zijn minst zou kunnen verklaren, en (c) de omstandigheid dat de Hoge Raad als gevolg van die vertraging de zaak pas in behandeling heeft kunnen nemen nadat al meer dan twee jaren waren verstreken na het instellen van het cassatieberoep, vindt de Hoge Raad aanleiding de opgelegde gevangenisstraf aldus te verminderen dat deze gehele straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de verdachte zich binnen de door het Hof bepaalde proeftijd niet gedraagt naar de door het Hof gestelde voorwaarden.
2.4. Het zesde middel is eveneens gegrond. Door te overwegen als hiervoor onder 2.2 is weergegeven heeft het Hof niet voldaan aan het in het zesde lid van art. 359 Sv Pro gegeven strafmotiveringsvoorschrift, op welk verzuim in het achtste lid van dat artikel nietigheid is gesteld. Tot cassatie en verwijzing of terugwijzing van de zaak behoeft dat echter niet te leiden, aangezien de verdachte daarbij - gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3.2 is overwogen - geen rechtens te respecteren belang heeft.
3. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat de gevangenisstraf zes maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 30 september 2008.