ECLI:NL:HR:2008:BD4949

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 juni 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/13289 U
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • A.J.A. van Dorst
  • W.M.E. Thomassen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28.1 EUVArt. 4 Overeenkomst 1896Art. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt beroep tegen uitlevering aan Servië wegens vervallen bilaterale uitleveringsverdragen

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van de Rechtbank Haarlem die de uitlevering van een persoon aan de Republiek Servië toelaatbaar heeft verklaard. De aangevochten uitspraak was gebaseerd op een uitleveringsverzoek van Servische autoriteiten.

De verdediging stelde onder meer dat het bilaterale uitleveringsverdrag tussen Nederland en Servië uit 1896 nog van toepassing zou zijn, waardoor de uitlevering niet gegrond zou zijn. De Hoge Raad verwijst echter naar artikel 28 van Pro het Europees uitleveringsverdrag (EUV) dat bepaalt dat bepalingen uit oudere bilaterale verdragen vervallen zodra het EUV van toepassing is.

De Hoge Raad volgt de conclusie van de Procureur-Generaal en oordeelt dat het oude bilaterale verdrag niet meer van toepassing is, waardoor het verweer van de raadsman terecht door de rechtbank is verworpen. Het beroep in cassatie wordt verworpen, waarmee de uitlevering aan Servië wordt bevestigd.

De uitspraak is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en is definitief. Hiermee is de uitlevering juridisch bekrachtigd zonder dat er nieuwe rechtsvragen zijn opgeworpen die cassatie rechtvaardigen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de uitlevering aan Servië wordt bevestigd.

Uitspraak

24 juni 2008
Strafkamer
nr. 07/13289 U
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te Haarlem van 15 november 2007, nummer 07/1175, op een verzoek van de autoriteiten van Servië tot uitlevering van:
[De opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Midden Holland, locatie Haarlem" te Haarlem.
1. De bestreden uitspraak
De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon toelaatbaar verklaard ter strafvervolging ter zake van de in de bestreden uitspraak omschreven feiten.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft mr. C.L. Kranendonk, advocaat te Beverwijk, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Procureur-Generaal.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel klaagt dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat art. 4 van Pro de Overeenkomst tusschen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Servië tot regeling der wederzijdsche uitlevering van misdadigers, gesloten te Belgrado op 11 maart 1896 (Stb. 1897, 42) op grond van art. 28 van Pro het Europees uitleveringsverdrag niet van toepassing is.
3.2. Op de gronden die zijn vermeld in de aan dit arrest gehechte conclusie van de Procureur-Generaal onder 3 tot en met 10 kan het middel niet tot cassatie leiden.
4. Beoordeling van het tweede middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren A.J.A van Dorst en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 24 juni 2008.