ECLI:NL:HR:2008:BD5466

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 juni 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/10058
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 234 GemeentewetArt. 24 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen bezwaar mogelijk tegen betaling parkeerbelasting op aangifte

Belanghebbende heeft op 11 december 2004 een bedrag aan parkeerbelasting voldaan op aangifte bij de gemeente Weert. Vervolgens maakte hij bezwaar tegen deze betaling en verzocht om teruggaaf. Het hoofd van de afdeling belastingen verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. Het Hof verklaarde het beroep tegen deze uitspraak ongegrond. Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad overwoog dat artikel 234, lid 3, van de Gemeentewet (tekst tot 1 januari 2005) expliciet bezwaar tegen voldoening op aangifte uitsluit. De toelichting bij dit artikel geeft aan dat bezwaar niet mogelijk is, ook niet in situaties waarin de feitelijke parkeerduur korter is dan waarvoor betaald is. De Hoge Raad concludeerde dat de wetgever deze uitsluiting niet heeft willen beperken tot specifieke situaties en verwierp het verweer van belanghebbende.

De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en wees geen proceskosten toe. Hiermee blijft de uitspraak van het Hof in stand dat bezwaar tegen de betaling van parkeerbelasting op aangifte niet mogelijk is.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en bezwaar tegen betaling parkeerbelasting op aangifte is niet mogelijk.

Uitspraak

Nr. 07/10058
27 juni 2008
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenboschvan 5 oktober 2007, nr. 05/00120, betreffende een op aangifte voldaan bedrag aan parkeerbelasting.
1. Het geding in feitelijke instantie
Belanghebbende heeft ter zake van het parkeren op 11 december 2004 te Q op aangifte een bedrag aan parkeerbelasting voldaan. Belanghebbende heeft tegen de voldoening van dit bedrag bezwaar gemaakt en verzocht om teruggaaf. Het hoofd van de afdeling belastingen van de gemeente Weert heeft bij uitspraak het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert heeft bericht af te zien van het recht een verweerschrift in te dienen.
3. Beoordeling van de klachten
3.1.1. Belanghebbende betoogt dat zijn bezwaar ontvankelijk had moeten worden geacht, omdat de wetgever bezwaar tegen de onderwerpelijke voldoening op aangifte heeft uitgesloten met het oog op een specifieke situatie, die zich in het onderhavige geval niet voordoet.
3.1.2. Het opnemen van artikel 234, lid 3, van de Gemeentewet (tekst geldend tot 1 januari 2005) is als volgt gemotiveerd:
"In het derde lid is bepaald dat artikel 24 van Pro de Algemene wet buiten toepassing blijft ten aanzien van de in onderdeel a van het tweede lid bedoelde voldoening op aangifte. Daardoor is bezwaar tegen het bedrag dat in de parkeermeter is geworpen, niet mogelijk. Zo'n bezwaar is denkbaar in de situatie waarin de feitelijke parkeerduur korter is dan die waarvoor door middel van betaling is gekozen. In die situatie, waarin men vrijwillig kiest voor een voldoening van een achteraf bezien te hoog bedrag, achten wij het te ver gaan om bezwaar toe te staan" (Kamerstukken II 1989-1990, 19 405, nr. 13, blz. 12).
Uit deze toelichting blijkt niet dat de wetgever de uitsluiting van bezwaar tegen voldoening op aangifte heeft willen beperken tot de beschreven situatie. Reeds hierom falen de klachten.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren J.W.M. Tijnagel en A.H.T. Heisterkamp, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2008.