ECLI:NL:HR:2008:BD6380
Hoge Raad
- Herziening
- G.J.M. Corstens
- B.C. de Savornin Lohman
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van aanvrage tot herziening wegens ontbreken nieuwe feiten
De zaak betreft een aanvrage tot herziening van een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch uit 1991, waarbij de aanvrager was veroordeeld voor poging tot zware mishandeling en diefstal met gebruik van valse sleutels. De aanvrage tot herziening werd ingediend door de advocaat namens de aanvrager.
Volgens artikel 457 lid 1 sub Pro 2 Sv kunnen alleen nieuwe, met bewijsmiddelen gestaafde feiten die bij het oorspronkelijke onderzoek niet aan het licht zijn gekomen en die het vermoeden wekken dat de uitkomst van de zaak anders zou zijn geweest, grond zijn voor herziening. Artikel 459 Sv Pro vereist dat de aanvrage deze feiten en bewijsmiddelen duidelijk vermeldt.
De Hoge Raad oordeelde dat de aanvrage geen feiten bevatte die aan deze voorwaarden voldeden. Er was geen nieuwe omstandigheid die het ernstig vermoeden wekte dat de zaak bij bekendheid daarvan tot vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging, niet-ontvankelijkheid van het OM of een lichtere straf zou hebben geleid.
Daarom kon de aanvrage niet worden ontvangen en verklaarde de Hoge Raad deze niet-ontvankelijk. Dit arrest bevestigt de strikte criteria voor herziening van strafzaken en benadrukt het belang van het aanvoeren van nieuwe, relevante feiten.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvrage tot herziening niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van nieuwe feiten die herziening rechtvaardigen.