ECLI:NL:HR:2008:BD7092

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 oktober 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
R07/069HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 1:377a BWArt. 81 RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ontzegging omgangsrecht vader met minderjarig kind

De man, verzoeker tot cassatie, was na echtscheiding van de vrouw, die het gezag over hun dochter kreeg, niet toegewezen omgangsrecht. Hij verzocht bij de rechtbank Utrecht om een omgangsregeling met veroordeling van de vrouw tot betaling van een dwangsom bij niet-naleving. De rechtbank wees dit verzoek af, hetgeen het gerechtshof Amsterdam bekrachtigde. De man stelde daarop beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de man niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten. De ontzegging van het omgangsrecht werd niet in strijd geacht met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens of het Burgerlijk Wetboek.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de eerdere beslissingen. De beschikking werd gegeven door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een vierde raadsheer op 3 oktober 2008.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de ontzegging van het omgangsrecht aan de vader.

Uitspraak

3 oktober 2008
Eerste Kamer
Nr. R07/069HR
EV/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. W.B. Teunis,
t e g e n
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.
1. Het geding in feitelijke instanties
Op verzoek van de vrouw heeft de rechtbank Utrecht bij beschikking van 19 november 2003 tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en is de vrouw alleen met het gezag over [de dochter] (dochter van beide partijen, geboren op 3 juli 2002) belast.
Met een op 9 februari 2006 ter griffie van de rechtbank Utrecht ingediend verzoekschrift heeft de man zich gewend tot die rechtbank en verzocht, kort gezegd, een omgangsregeling met [de dochter] vast te stellen met veroordeling van de vrouw tot betaling van een dwangsom voor elke keer dat zij in gebreke blijft de vastgestelde regeling na te komen.
De vrouw heeft het verzoek bestreden.
De rechtbank heeft bij beschikking van 12 april 2006 het verzoek afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij beschikking van 4 januari 2007 heeft het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft geen verweer gevoerd.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, J.C. van Oven en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 3 oktober 2008.