ECLI:NL:HR:2008:BD7589

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 november 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
R07/136HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • J.B. Fleers
  • O. de Savornin Lohman
  • E.J. Numann
  • J.C. van Oven
  • W.D.H. Asser
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 295 lid 2 FwArt. 295 lid 3 FwArt. 475d Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging en nihilstelling partner- en kinderalimentatie bij schuldsaneringsregeling

De man verzocht bij de rechtbank Amsterdam om zijn partner- en kinderalimentatie wegens gewijzigde omstandigheden, waaronder werkloosheid en toepassing van de schuldsaneringsregeling, met ingang van 1 juli 2003 of 18 oktober 2004 op nihil te stellen. De rechtbank stelde de alimentatieverplichtingen op nihil vanaf 1 juli 2003. De vrouw ging in hoger beroep, waarna het hof Amsterdam de beschikking vernietigde en de alimentatie slechts nihil stelde voor de periode van 20 juli 2006 tot 1 maart 2007, omdat de man toen weer werkte.

Het hof oordeelde dat de schuldsaneringsregeling geen reden was om de alimentatieverplichtingen voor de periode na 1 maart 2007 te wijzigen, omdat de man onvoldoende inzicht had gegeven in zijn schulden en de feiten van de schuldsanering. De man stelde in cassatie dat het hof ten onrechte draagkracht aannam na 1 maart 2007, omdat volgens art. 295 lid 2 Faillissementswet Pro het vrij te laten bedrag bepalend is.

De Hoge Raad bevestigde dat bij een saniet de rechter rekening moet houden met het door de rechter-commissaris vastgestelde vrij te laten bedrag, dat meestal onder het bijstandsniveau ligt, en dat de saniet in beginsel geen draagkracht heeft voor alimentatie. Omdat het hof niet had vastgesteld dat het vrij te laten bedrag hoger was vastgesteld, was het onbegrijpelijk dat het hof draagkracht aannam na 1 maart 2007. De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak naar het hof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof Amsterdam en verwijst de zaak naar het hof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling.

Uitspraak

14 november 2008
Eerste Kamer
Nr. R07/136HR
EV/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 20 juli 2006 ter griffie van de rechtbank Amsterdam ingediend verzoekschrift heeft de man zich gewend tot die rechtbank en verzocht, kort gezegd, de alimentatieverplichtingen, zowel ten aanzien van de vrouw als ten aanzien van het minderjarig kind van partijen, wegens gewijzigde omstandigheden vast te stellen op nihil met ingang van 1 juli 2003, of vanaf 18 oktober 2004, althans een zodanig bedrag en met ingang van zodanige datum als de rechtbank juist acht.
De vrouw heeft geen verweer gevoerd.
De rechtbank heeft bij beschikking van 18 oktober 2006 de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige en de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 juli 2003 op nihil gesteld.
Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij beschikking van 12 april 2007 heeft het hof, na mondelinge behandeling, de beschikking waarvan beroep vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige over de periode van 20 juli 2006 tot en met 1 maart 2007 op nihil gesteld en het meer of anders verzochte afgewezen.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft geen verweer gevoerd.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar een ander hof.
De advocaat van de man heeft bij brief van 25 juli 2008 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Partijen zijn op 19 december 1996 met elkaar gehuwd. Uit hun huwelijk is op [geboortedatum] 1998 een dochter geboren.
(ii) Het huwelijk is op 13 november 2001 door echtscheiding ontbonden.
(iii) Bij de echtscheidingsbeschikking is aan de man een bijdrage opgelegd in de kosten van de verzorging en opvoeding van de dochter van ƒ 500,-- (€ 226,89) per maand en een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw van ƒ 65,-- (€ 29,49) per maand.
(iv) Bij beslissing van 18 oktober 2004 is ten aanzien van de man de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.
3.2.1 De man heeft aan zijn verzoek van 20 juli 2006 tot nihilstelling ingaande 1 juli 2003 van zijn alimentatieverplichtingen jegens de vrouw en de dochter van partijen wijzigingen in de omstandigheden ten grondslag gelegd, daarin bestaande dat hij met ingang van laatstgenoemde datum werkloos was geworden en aangewezen op een WW-uitkering, alsmede dat op hem per 18 oktober 2004 de schuldsaneringsregeling van toepassing was geworden. Nadat de rechtbank het verzoek bij gebrek aan tegenspraak had toegewezen, heeft het hof op het appel van de vrouw die beschikking vernietigd en het verzoek afgewezen, behoudens wat betreft het tijdvak van 20 juli 2006 - de dag waarop de man zijn inleidend verzoekschrift had ingediend - tot 1 maart 2007 - met ingang van welke datum de man weer werk had gevonden en zijn verdiencapaciteit naar 's hofs oordeel niet meer afweek van die ten tijde van de beschikking waarbij de alimentatieverplichtingen waren vastgesteld.
3.2.2 Het hof heeft de man gevolgd in zijn stelling dat hij, zolang hij de WW-uitkering genoot, geen draagkracht had, maar zag geen aanleiding de onderhoudsverplichtingen te wijzigen met ingang van een eerdere dag dan die waarop de man zijn inleidend verzoekschrift had ingediend. Wat betreft de periode waarin de man de WW-uitkering ontving, overwoog het hof dat het de vraag of de toepassing van de schuldsaneringsregeling een wijziging in de omstandigheden opleverde, onbehandeld kon laten. Voor het tijdvak na 1 maart 2007 overwoog het hof:
"Het feit dat ten aanzien van de man sinds 18 oktober 2004 de schuldsanering van toepassing is doet hieraan niet af. De man heeft op geen enkele wijze inzicht gegeven in zijn schulden en de aan de schuldsanering ten grondslag liggende feiten. De man heeft derhalve onvoldoende onderbouwd waarom in de onderhavige situatie ten laste van de hem opgelegde kinder- en partneralimentatie rekening dient te worden gehouden met de schuldsanering. Het hof zal daarmee dan ook geen rekening houden."
3.3.1 Middel II klaagt, kort gezegd, dat onjuist, althans onbegrijpelijk is 's hofs oordeel dat het niet heeft aangenomen dat de schuldsaneringsregeling voortduurde tot drie jaar na 18 oktober 2004 en dat het gedurende die periode na 1 maart 2007 draagkracht bij de man aanwezig heeft geacht, nu daarvoor bepalend is niet zijn verdiencapaciteit, maar het op de voet van art. 295 lid Pro 2 F. vrij te laten bedrag.
3.3.2 Uitgangspunt bij de beoordeling van deze klacht is dat de rechter bij de beoordeling van een verzoek van een alimentatieplichtige een vastgestelde uitkering tot levensonderhoud op grond van een wijziging van de omstandigheden op een lager bedrag of nihil vast te stellen, in aanmerking zal kunnen nemen dat ten aanzien van de alimentatieplichtige de schuldsaneringsregeling van toepassing is en veelal de in dat verband vastgestelde feiten tot uitgangspunt zal kunnen nemen (HR 25 januari 2002, nr. R01/061, NJ 2002, 314). In aanmerking genomen voorts dat de saniet gedurende de tijd waarin de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing is, slechts kan beschikken over het op de voet van art. 295 lid Pro 2 F. door de rechter-commissaris vastgestelde vrij te laten bedrag en dit bedrag, gelet op het daarbij van toepassing verklaarde art. 475d Rv., onder het bijstandsniveau is gelegen, tenzij de rechter-commissaris op de voet van art. 295 lid 3 anders Pro heeft bepaald, moet worden aangenomen dat een saniet, behoudens bijzondere omstandigheden, niet over draagkracht beschikt om onderhoudsbijdragen te betalen. Dit kan anders zijn, indien het vrij te laten bedrag door de rechter-commissaris op een hoger bedrag is bepaald. Indien in een procedure tot wijziging van alimentatie een verweer daartoe aanleiding geeft, dan wel de rechter informatie daaromtrent wenst, zal de saniet kenbaar moeten maken of de rechter-commissaris het vrij te laten bedrag op een hoger bedrag heeft bepaald en, zo niet, of hij deze daarom heeft verzocht. Is dit laatste niet het geval, dan kan de rechter de beslissing aanhouden teneinde de saniet in de gelegenheid te stellen alsnog dat verzoek te doen.
3.3.3 Nu het hof niet heeft vastgesteld dat een dergelijke afwijkende vaststelling van het vrij te laten bedrag heeft plaatsgevonden, is, zonder nadere motivering, onbegrijpelijk dat het hof voor de periode na 1 maart 2007 draagkracht bij de man aanwezig heeft geacht. In zoverre slaagt het middel. Middel I behoeft geen behandeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 12 april 2007;
verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, E.J. Numann, J.C. van Oven en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 14 november 2008.