ECLI:NL:HR:2008:BD9483

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 augustus 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
42972
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 273a gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en verwijzing in zaak baatbelasting centrum Geleen 1997

In deze zaak gaat het om een aanslag baatbelasting centrum Geleen 1997 opgelegd aan belanghebbende voor het genot van een onroerende zaak. Na bezwaar en beroep vernietigde het Hof de aanslag en de uitspraak van het gemeentelijke hoofd Financiën. Het College stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelt dat het bekostigingsbesluit van 1992, waarin een vast bedrag van ƒ 4.700.000 wordt genoemd, voldoende rechtszekerheid biedt zonder dat de lasten van de voorzieningen afzonderlijk hoeven te worden vermeld. Het Hof had ten onrechte geoordeeld dat het bekostigingsbesluit niet voldeed aan artikel 273a, lid 4, van de gemeentewet.

De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het Hof, behoudens het onderdeel over griffierecht, en verwijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem voor verdere behandeling en beslissing. Tevens wordt bepaald dat het verwijzingshof zal beoordelen of belanghebbende proceskostenvergoeding toekomt.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard, het arrest van het Hof vernietigd en de zaak verwezen naar het Gerechtshof Arnhem.

Uitspraak

Nr. 42.972
8 augustus 2008
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen (hierna: het College) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 20 december 2005, nr. 99/00206, betreffende na te melden aan Coöperatieve Vereniging X U.A. te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde aanslag in een baatbelasting van de gemeente Geleen (thans de gemeente Sittard-Geleen).
1. Het geding in feitelijke instantie
Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 ter zake van het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de onroerende zaak a-straat 1 te Q een aanslag in de baatbelasting centrum Geleen 1997 van de gemeente Geleen opgelegd ten bedrage van ƒ 8946. De aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van het hoofd van de stafafdeling Financiën en Bedrijfsbeheer van de gemeente Geleen gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard en de uitspraak alsmede de aanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Het College heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Op 30 januari 1992 heeft de raad van de toenmalige gemeente Geleen een bekostigingsbesluit (hierna: het Bekostigingsbesluit) vastgesteld, waarin het volgende is vermeld:
"De raad van de gemeente Geleen;
(...)
besluit:
(...)
1. van de kosten van de uitvoering van het Centrumplan, begroot op ƒ 19.625.000,--, een bedrag van ƒ 4.700.000,--, (...) door middel van een in te stellen baatbelasting te verhalen op de genothebbenden krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de door de uitvoering gebate onroerende zaken;
2. (...)"
3.1.2. Het Centrumplan voorziet niet uitsluitend in totstandbrenging van voorzieningen als bedoeld in artikel 273a van de gemeentewet (tekst 1992, hierna: de Wet), maar mede in uitvoering van onderhoudswerkzaamheden.
3.1.3. Op 12 december 1996 heeft de raad de verordening baatbelasting centrum Geleen 1997 (hierna: de Verordening) vastgesteld.
3.2. Onder verwijzing naar het in 3.1.2 weergegeven feit heeft het Hof geoordeeld dat het in 3.1.1 geciteerde bekostigingsbesluit niet voldoet aan de in artikel 273a, lid 4, van de Wet gestelde eis dat de "aan die voorzieningen verbonden lasten" uit het bekostigingsbesluit moeten blijken, zodat de Verordening onverbindend is.
3.3. Het tegen dit oordeel gerichte middel slaagt. Indien, zoals in het onderhavige geval, in het bekostigingsbesluit is vermeld welk vast bedrag (in totaal) zal worden verhaald, behoeft daarnaast in dat besluit niet tevens vermeld te worden wat de lasten zijn van de tot stand te brengen voorzieningen. De vermelding van een bepaald te verhalen bedrag biedt immers uit het oogpunt van de rechtszekerheid, die artikel 273a, lid 4, van de Wet beoogde te waarborgen, voldoende houvast, dat niet zou worden vergroot door tevens de geraamde lasten van de tot stand te brengen voorzieningen te vermelden, aangezien - indien die lasten later blijken af te wijken van de raming - het te verhalen bedrag in de baatbelastingverordening wel lager vastgesteld kan worden dan in het bekostigingsbesluit, maar nimmer hoger (vgl. HR 23 september 2005, nr. 39704, BNB 2006/4).
Hieruit volgt tevens dat, anders dan belanghebbende betoogt, niet ter zake doet dat het Bekostigingsbesluit het te verhalen bedrag van ƒ 4.700.000 niet afzet tegen de lasten van de tot stand te brengen voorzieningen, maar tegen de (hogere) lasten van de uitvoering van het Centrumplan. De regel dat de (latere) verordening niet ertoe mag leiden dat meer wordt verhaald dan het totaal van de lasten van de (inmiddels tot stand gebrachte) voorzieningen staat los van het vereiste dat artikel 273a, lid 4, stelde aan een bekostigingsbesluit.
3.4. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor behandeling van de overige grieven van belanghebbende, waaraan het Hof niet is toegekomen.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C.J.J. van Maanen, C. Schaap, J.W.M. Tijnagel en A.H.T. Heisterkamp, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2008.