ECLI:NL:HR:2008:BE9805

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 oktober 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
01729/07
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • J.W. Ilsink
  • W.M.E. Thomassen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 358 SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping beroep wegens onvoldoende duidelijk verweer over voorrang Europees recht boven Nederlands recht

Verdachte voerde in hoger beroep aan dat zijn Europese rechten zwaarder wegen dan de Nederlandse wet, waardoor hij niet in overtreding zou zijn. Hij diende een document in in het Engels met zijn verdediging, maar dit werd door het hof niet in het dossier opgenomen. Het hof oordeelde dat het verweer onvoldoende duidelijk en aannemelijk was en dat het niet als een uitdrukkelijk verweer in de zin van art. 358 lid 3 Sv Pro kon gelden.

De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven, met name met betrekking tot art. 6 EVRM Pro. Het feit dat het hof het Engelse document niet in het dossier opnam doet hier niet aan af, aangezien verdachte zijn verweer mondeling en met een tolk kon toelichten.

Het cassatieberoep wordt verworpen omdat het middel niet leidt tot beantwoording van rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De verdediging van verdachte wordt als vaag en onduidelijk beoordeeld, waardoor het beroep faalt.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat het verweer onvoldoende duidelijk was en verdachte zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen.

Uitspraak

28 oktober 2008
Strafkamer
nr. S 01729/07
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 17 november 2006, nummer 22/004352-06, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958, thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.Y. Taekema, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Schipper heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
1.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
2. Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1. Het middel klaagt over 's Hofs verwerping van een ter terechtzitting gevoerd verweer.
3.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt het volgende in:
"Door het hof in de gelegenheid gesteld overlegt de verdachte stukken inhoudende zijn bezwaren tegen het vonnis in eerste aanleg.
De advocaat-generaal maakt bezwaar tegen gebruik van deze stukken, naar zijn oordeel zijn ze niet bruikbaar doordat ze in de Engelse taal zijn opgemaakt en niet vertaald zijn.
De voorzitter en advocaat-generaal overhandigen de stukken aan de verdachte.
(...)
De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende - zakelijk weergegeven -:
Het klopt dat de auto niet verzekerd was en dat ik geen woning heb. Ik gebruikte de auto alleen om in te slapen, ik weet dat de auto verzekerd moet zijn. Ik weet dat de Nederlandse wet dit verbiedt maar mijn Europese rechten zijn belangrijker dan de Nederlandse wet. Ik ben niet in overtreding want Europees recht gaat boven Nederlands recht, alles staat in de documenten die u net teruggeeft. Het Nederlandse rechtssysteem is de oorzaak dat ik failliet ben.
Ik heb geen baan in Nederland en ik mag Nederland niet uit door deze zaak. Ik heb geen geld en ik leef van liefdadigheid. Ik kan onmogelijk een geldboete betalen. Ik kan niet begrijpen dat het document niet aangenomen wordt, daar staan al mijn argumenten in voor mijn verdediging. Ik kan het document niet laten vertalen, daar heb ik geen geld voor. Sinds 12 oktober 2004 zijn mij maar weinig mogelijkheden geboden antwoorden te geven.
De advocaat-generaal voert hierna het woord en draagt de schriftelijke vordering voor na zijn reactie gegeven te hebben op het verweer van de verdachte. De advocaat-generaal acht het verweer van de verdachte, dat Europees recht boven Nederlands recht gaat, vaag en onduidelijk."
3.3. Het bestreden arrest houdt het volgende in:
"Verweer van de verdachte
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep -zakelijk en verkort weergegeven- het verweer gevoerd dat zijn rechten zijn geschonden nu er onvoldoende rekening is gehouden met het Europese recht. Verdachte voert hierbij aan dat zijn Europese rechten belangrijker zouden zijn dan de Nederlandse wet, daar Nederlandse recht onder Europees recht staat.
De consequentie zou hiervan moeten zijn, aldus de verdachte, dat hij niet in overtreding is geweest en er derhalve een vrijspraak zou moeten volgen.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
Het hof is van oordeel, overeenkomstig het oordeel van de advocaat-generaal, dat het door de verdachte gevoerde verweer onvoldoende duidelijk en aannemelijk is geworden."
3.4. Met zijn oordeel dat het door de verdachte gevoerde verweer onvoldoende duidelijk en aannemelijk is geworden, heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat hetgeen de verdachte heeft aangevoerd niet kan gelden als een uitdrukkelijk voorgedragen verweer als bedoeld in art. 358, derde lid, Sv. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, in het bijzonder niet omtrent art. 6 EVRM Pro, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Daaraan doet niet af dat het Hof het verzoek van de verdachte om een in de Engelse taal gesteld document waarin hij zijn verdediging had verwoord, in het dossier te voegen, heeft afgewezen. De verdachte is immers wel in de gelegenheid geweest om zijn verweer mondeling en met behulp van een tolk voor te dragen, zodat hij zijn in art. 6 EVRM Pro gewaarborgde verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen.
3.5. Het middel faalt.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 28 oktober 2008.
Mr. Thomassen is buiten staat dit arrest te ondertekenen.