ECLI:NL:HR:2008:BE9805
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.W. Ilsink
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Verwerping beroep wegens onvoldoende duidelijk verweer over voorrang Europees recht boven Nederlands recht
Verdachte voerde in hoger beroep aan dat zijn Europese rechten zwaarder wegen dan de Nederlandse wet, waardoor hij niet in overtreding zou zijn. Hij diende een document in in het Engels met zijn verdediging, maar dit werd door het hof niet in het dossier opgenomen. Het hof oordeelde dat het verweer onvoldoende duidelijk en aannemelijk was en dat het niet als een uitdrukkelijk verweer in de zin van art. 358 lid 3 Sv Pro kon gelden.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven, met name met betrekking tot art. 6 EVRM Pro. Het feit dat het hof het Engelse document niet in het dossier opnam doet hier niet aan af, aangezien verdachte zijn verweer mondeling en met een tolk kon toelichten.
Het cassatieberoep wordt verworpen omdat het middel niet leidt tot beantwoording van rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De verdediging van verdachte wordt als vaag en onduidelijk beoordeeld, waardoor het beroep faalt.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat het verweer onvoldoende duidelijk was en verdachte zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen.