ECLI:NL:HR:2008:BF0260
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- W.A.M. van Schendel
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Vermindering ontnemingsbedrag wegens overschrijding redelijke termijn en niet-gelijktijdige betekening
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene stelde dat de redelijke termijn voor berechting was overschreden en dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat de ontnemingsvordering niet gelijktijdig met de sluiting van het strafrechtelijk financieel onderzoek was betekend.
De Hoge Raad overwoog dat hoewel de afzonderlijke fasen van de procedure niet te lang waren, in bijzondere gevallen de totale duur toch een schending van het recht op een eerlijk proces kan vormen. In dit geval was dat niet aannemelijk gemaakt. Wel werd erkend dat in de cassatiefase de redelijke termijn was overschreden, wat leidde tot vermindering van het te betalen bedrag.
Verder verwierp de Hoge Raad het verweer dat niet-gelijktijdige betekening van de ontnemingsvordering automatisch tot niet-ontvankelijkheid van het OM zou leiden. Het hof had terecht geoordeeld dat dit niet het geval was, omdat noch de wet noch de wetsgeschiedenis dit voorschrijven.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend wat betreft de hoogte van het ontnemingsbedrag en stelde dit vast op € 1.217.000,-, terwijl het beroep voor het overige werd verworpen.
Uitkomst: Het ontnemingsbedrag wordt verminderd tot € 1.217.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn; het beroep wordt verder verworpen.