ECLI:NL:HR:2008:BF0624
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- W.A.M. van Schendel
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt motiveringsplicht bij ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel
In deze zaak stond een cassatieberoep centraal tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Betrokkene voerde aan dat het hof ten onrechte geen motivering had gegeven voor het niet overnemen van zijn standpunt over zijn draagkracht.
Tijdens de terechtzitting in hoger beroep verklaarde betrokkene dat hij als chauffeur werkte, een netto inkomen van €1080,- had, alleen woonde, en alimentatie betaalde voor zijn twee kinderen. Zijn raadsman verwees naar onderzoek naar verhaalsmogelijkheden en stelde dat het bedrag van de betalingsverplichting gematigd moest worden indien draagkracht ontbrak.
De Hoge Raad herhaalt de jurisprudentie dat draagkracht in beginsel pas in de executiefase aan de orde komt, tenzij duidelijk is dat betrokkene nu en in de toekomst geen draagkracht heeft. Het hof heeft het standpunt van betrokkene niet als een onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid, Sv opgevat, wat volgens de Hoge Raad niet onjuist of onbegrijpelijk is.
De Hoge Raad concludeert dat het hof de motiveringsplicht correct heeft toegepast en verwerpt het cassatieberoep. Hiermee wordt bevestigd dat de motivering van de draagkrachtkwestie strikt is en dat de draagkracht doorgaans pas in de executiefase wordt beoordeeld.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof.