ECLI:NL:HR:2008:BF0750
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.W. Ilsink
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling strafbaarheid mishandeling binnen vader-kind relatie volgens art. 304 Sr
De Hoge Raad heeft op 2 december 2008 uitspraak gedaan in een cassatiezaak tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem. De verdachte werd door het hof veroordeeld voor mishandeling van zijn dochter, waarbij het hof de strafverzwarende omstandigheid van de vader-kind relatie toepaste op grond van art. 304 Sr Pro.
De verdachte stelde in cassatie dat voor de toepassing van art. 304 Sr Pro niet de biologische vader-kind relatie van belang is, maar dat het moet gaan om een relatie waarin op grond van samenwoning of andere niet-biologische banden extra eerbied of machtsmisbruik gevreesd moet worden. De Hoge Raad volgde deze stelling niet en bevestigde dat de strafverzwarende omstandigheid volgens art. 304 Sr Pro betrekking heeft op de vader-kind relatie, zoals ook door de Advocaat-Generaal werd onderbouwd.
De bewezenverklaring van het hof, dat de verdachte op 6 en 7 oktober 2004 zijn dochter mishandelde, werd door de Hoge Raad niet onrechtmatig bevonden. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.
De uitspraak benadrukt de juridische betekenis van de vader-kind relatie in het kader van art. 304 Sr Pro en wijst een bredere interpretatie van deze relatie af. De strafrechtelijke kwalificatie van mishandeling binnen deze relatie blijft daarmee strikt gebonden aan de wettelijke omschrijving.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.