ECLI:NL:HR:2008:BF0750

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 december 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
01590/07
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • J.W. Ilsink
  • W.M.E. Thomassen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 304 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling strafbaarheid mishandeling binnen vader-kind relatie volgens art. 304 Sr

De Hoge Raad heeft op 2 december 2008 uitspraak gedaan in een cassatiezaak tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem. De verdachte werd door het hof veroordeeld voor mishandeling van zijn dochter, waarbij het hof de strafverzwarende omstandigheid van de vader-kind relatie toepaste op grond van art. 304 Sr Pro.

De verdachte stelde in cassatie dat voor de toepassing van art. 304 Sr Pro niet de biologische vader-kind relatie van belang is, maar dat het moet gaan om een relatie waarin op grond van samenwoning of andere niet-biologische banden extra eerbied of machtsmisbruik gevreesd moet worden. De Hoge Raad volgde deze stelling niet en bevestigde dat de strafverzwarende omstandigheid volgens art. 304 Sr Pro betrekking heeft op de vader-kind relatie, zoals ook door de Advocaat-Generaal werd onderbouwd.

De bewezenverklaring van het hof, dat de verdachte op 6 en 7 oktober 2004 zijn dochter mishandelde, werd door de Hoge Raad niet onrechtmatig bevonden. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.

De uitspraak benadrukt de juridische betekenis van de vader-kind relatie in het kader van art. 304 Sr Pro en wijst een bredere interpretatie van deze relatie af. De strafrechtelijke kwalificatie van mishandeling binnen deze relatie blijft daarmee strikt gebonden aan de wettelijke omschrijving.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitspraak

2 december 2008
Strafkamer
nr. 01590/07
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 19 februari 2007, nummer 21/001099-06, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed nu uit de gebezigde bewijsmiddelen niet de in art. 304 Sr Pro genoemde strafverzwarende omstandigheid dat sprake was van een vader-kind relatie tussen de verdachte en het slachtoffer, kan worden afgeleid.
2.2. Ten laste van de verdachte heeft het Hof bewezenverklaard dat:
"1. hij op 6 oktober 2004 te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer] (verdachtes dochter)), heeft opgetild en (vervolgens) [slachtoffer] op haar rug op de grond heeft gegooid en (vervolgens) [slachtoffer] heeft meegesleept en aan een arm heeft meegetrokken en [slachtoffer] (met kracht) in een auto heeft gegooid en [slachtoffer] (met kracht) in het gezicht heeft geslagen waardoor deze pijn heeft ondervonden.
2. hij op 7 oktober 2004 te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten, opzettelijk mishandelend een persoon genaamd [slachtoffer] (verdachtes dochter), (met kracht) bij de keel heeft gegrepen en (met kracht) een arm om de keel van [slachtoffer] heeft geslagen waardoor deze pijn heeft ondervonden."
2.3. Het Hof heeft die feiten telkens gekwalificeerd als "mishandeling begaan tegen zijn kind".
2.4. Het middel berust op de opvatting dat "voor de strafbaarheid en de strafwaardigheid, zoals bedoeld in art. 304 Sr Pro, het niet van belang is of de vader de biologische vader is, doch het erom gaat dat er op grond van samenwoning, zoals bij levensgezellen, dan wel een andere - niet uitsluitend biologische - relatie bestaat waarin (extra) eerbied jegens elkander verschuldigd is dan wel gevreesd moet worden voor machtsmisbruik, dit omdat het kind aan de vader is overgeleverd". Die opvatting is evenwel, naar door de Advocaat-Generaal in zijn conclusie is uiteengezet, onjuist.
2.5. Het middel faalt.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 2 december 2008.