ECLI:NL:HR:2008:BF3197
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over ontvankelijkheid Openbaar Ministerie bij executie vonnis zonder kracht van gewijsde
In deze zaak stond de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie (OM) centraal nadat het hof het OM niet-ontvankelijk had verklaard wegens het executeren van een vonnis dat nog niet in kracht van gewijsde was gegaan. De verdachte had zonder geldige titel vier maanden vastgezeten, hetgeen het hof als schending van de goede procesorde beschouwde. Tevens stelde het hof dat de overschrijding van de redelijke termijn volgens artikel 6 EVRM Pro een grond was voor niet-ontvankelijkheid.
De Hoge Raad oordeelde dat het enkel feit dat een vonnis in eerste aanleg werd uitgevoerd terwijl het nog niet onherroepelijk was, niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het OM, ook niet als die executie in strijd was met artikel 557 Sv Pro. Daarnaast stelde de Hoge Raad dat overschrijding van de redelijke termijn niet kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam voor hernieuwde berechting op het bestaande hoger beroep. Hiermee werd bevestigd dat procedurele fouten zoals executie zonder kracht van gewijsde en termijnoverschrijding niet automatisch leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting, waarbij het OM ontvankelijk blijft.