ECLI:NL:HR:2008:BF3923

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 december 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/00594
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • D.H. Beukenhorst
  • O. de Savornin Lohman
  • E.J. Numann
  • A. Hammerstein
  • J.C. van Oven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot toewijzing gezamenlijk gezag over minderjarig kind tussen voormalige levenspartners

De vader heeft bij de rechtbank Amsterdam verzocht om hem primair het gezag over zijn minderjarige dochter toe te wijzen in plaats van de moeder, en subsidiair om gezamenlijk gezag toe te wijzen. De moeder heeft dit verzoek bestreden. Na mediation en advies van de Raad voor de Kinderbescherming heeft de kantonrechter het verzoek afgewezen. De vader stelde hiertegen hoger beroep in bij het gerechtshof Amsterdam, dat de beschikking van de kantonrechter bekrachtigde.

Vervolgens stelde de vader beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De advocaat-generaal adviseerde het beroep te verwerpen. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee de eerdere beslissingen van de lagere rechterlijke instanties. Hiermee blijft het gezag bij de moeder en wordt het verzoek van de vader afgewezen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de afwijzing van het verzoek tot gezamenlijk gezag.

Uitspraak

12 december 2008
Eerste Kamer
08/00594
RM/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vader],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
t e g e n
[De moeder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vader en de moeder.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 21 juli 2005 ter griffie van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, ingediend verzoekschrift heeft de vader verzocht, kort gezegd, primair hem in plaats van de moeder met het gezag over de minderjarige dochter van partijen, [de dochter], te belasten, en, subisidiair: hem en de moeder te belasten met gezamenlijk ouderlijk gezag over [de dochter].
De moeder heeft het verzoek bestreden.
Na mondelinge behandeling van de zaak op 11 oktober 2005, heeft de kantonrechter de zaak aangehouden in afwachting van mediation en een advies van de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK). Partijen hebben de mediation voortijdig beëindigd. De RvdK heeft bij rapport van 21 september 2006 een advies uitgebracht aan de kantonrechter. Hierna is de mondelinge behandeling van de zaak voortgezet. De vader heeft zijn verzoek ter zitting gewijzigd.
De kantonrechter heeft bij beschikking van 21 december 2006 de verzoeken van de vader afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft de vader hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij beschikking van 8 november 2007 heeft het hof, voorzover thans van belang, de beschikking van de kantonrechter van 21 december 2006 bekrachtigd.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de vader beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De moeder heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van de vader heeft bij brief van 6 oktober 2008 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling (vgl. HR 12 december 2008, nr. 08/00340).
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, E.J. Numann, A. Hammerstein en J.C. van Oven, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 12 december 2008.