ECLI:NL:HR:2008:BF5594

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 december 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/11449 A
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Vuurwapenbesluit 1930Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt bewezenverklaring en strafoplegging wegens onvoldoende bewijs van vuurwapen

In deze cassatiezaak heeft de Hoge Raad het beroep van verdachte behandeld tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba. De zaak betreft beschuldigingen van diefstal van diverse goederen op een erf en het bezit van een luchtdrukgeweer dat op een vuurwapen lijkt.

De Hoge Raad oordeelt dat de bewezenverklaring omtrent het bezit van het luchtdrukgeweer, omschreven als een voorwerp dat op een vuurwapen gelijkend is en geschikt voor bedreiging, niet door enig bewijsmiddel wordt gedragen. Hierdoor is de uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Ook de bewezenverklaring over het maken van een gat in de afrastering van het erf wordt onvoldoende ondersteund door bewijs.

Daarom vernietigt de Hoge Raad het vonnis voor zover het deze bewezenverklaringen en de strafoplegging betreft en verwijst de zaak terug naar het Gemeenschappelijk Hof voor hernieuwde berechting. Het beroep wordt voor het overige verworpen. De uitspraak is gewezen door de vice-president en twee raadsheren op 2 december 2008.

Uitkomst: Vonnis vernietigd voor bewezenverklaring en strafoplegging omtrent vuurwapen, zaak terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Uitspraak

2 december 2008
Strafkamer
nr. 07/11449 A
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 6 maart 2007, nummer H-231/06, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in het Huis van Bewaring "Bon Futuro" op Curaçao.
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.M. Lintz, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft het onder 4 en 5 bewezenverklaarde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak in zoverre en tot verwerping van het beroep voor het overige.
1.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de
Advocaat-Generaal.
2. Beoordeling van het tweede middel
2.1. Het middel klaagt dat het onder 4 bewezenverklaarde voor zover inhoudende dat de goederen van een erf zijn gestolen en dat de verdachte een gat in de afrastering heeft gemaakt, niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen.
2.2. Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezenverklaard:
"dat hij, op 17 februari 2006, op het eiland Curaçao;
met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening, op een bij een woning behorend erf, gelegen te [a-straat 1], alwaar verdachte zich buiten weten van de rechthebbende, te weten [betrokkene 1], bevond, heeft weggenomen:
- een kapmes en een Bonsai plant en twee zagen en een gereedschapskist en een zwaard, toebehorende aan [betrokkene 1];
waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door een gat te maken in de uit cactussen opgebouwde afrastering van voormeld erf."
2.3. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
a. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]:
"Sedert 17 februari 2006 vermis ik uit mijn woning een kapmes, een Bonsai plant, twee zagen, een gereedschapskist en een zwaard. Deze voorwerpen zijn mijn eigendom."
b. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg, voor zover inhoudende:
"Op 17 februari 2006 heb ik uit een woning een kapmes, een Bonsai plant, twee zagen, een gereedschapskist en een zwaard gestolen."
2.4. Voor zover het middel klaagt dat de bewezenverklaring, behelzende:
- "op een bij een woning behorend erf",
en
- "waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door een gat te maken in de uit cactussen opgebouwde afrastering van voormeld erf",
niet door de inhoud van enig bewijsmiddel wordt geschraagd, is het gegrond.
3. Beoordeling van het derde middel
3.1. Het middel klaagt dat het onder 5 bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen.
3.2. Ten laste van de verdachte is onder 5 bewezenverklaard:
"dat hij op 10 mei 2006 op het eiland Curaçao;
voorhanden heeft gehad:
- een luchtdrukgeweer, zijnde een zodanig op een vuurwapen gelijkend voorwerp dat dit daarvan op het eerste gezicht niet viel te onderscheiden en mitsdien voor bedreiging geschikt was;
zijnde een vuurwapen ingevolge artikel 1 van Pro het Vuurwapenbesluit 1930 (...)."
3.3. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
a. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door opsporingsambtenaren werkzaam bij een arrestatieteam van het Korps Politie Nederlandse Antillen, standplaats Curaçao, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:
"Op 10 mei 2006 hebben wij [verdachte] aangehouden. De verdachte had in zijn bezit de navolgende goederen die door ons in beslag zijn genomen. Een luchtdrukgeweer (...)."
b. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg, voor zover inhoudende:
"Bij mijn aanhouding op 10 mei 2006 had ik een aantal voorwerpen bij mij. U houdt mij voor dat uit het proces-verbaal van de politie blijkt dat het gaat om een luchtdrukgeweer (...). Dat kan wel kloppen."
3.4. Aangezien deze bewezenverklaring, voor zover behelzende "zijnde een zodanig op een vuurwapen gelijkend voorwerp dat dit daarvan op het eerste gezicht niet viel te onderscheiden en mitsdien voor bedreiging geschikt was" niet door de inhoud van enig bewijsmiddel wordt geschraagd, is de uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
3.5. Het middel slaagt derhalve.
4. Beoordeling van het eerste en het vierde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat het vijfde middel geen bespreking behoeft en dat als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 4 en 5 tenlastegelegde en de strafoplegging;
verwijst de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof van de Nederlandse Antillen en Aruba, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 2 december 2008.