ECLI:NL:HR:2008:BG1476
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- A.J.A. van Dorst
- W.A.M. van Schendel
- W.M.E. Thomassen
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt universele jurisdictie bij foltering en oorlogsmisdaden in Afghanistan
De zaak betreft een voormalige Afghaanse militair inlichtingendienstfunctionaris die werd veroordeeld voor foltering en schendingen van de wetten en gebruiken van oorlog tijdens het conflict in Afghanistan in de jaren 1980-1990. De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het gerechtshof dat de Nederlandse rechtbanken universele jurisdictie hebben op grond van de Wet Oorlogsstrafrecht, ook voor niet-internationale conflicten.
De verdediging voerde aan dat de Nederlandse jurisdictie niet toereikend was voor niet-internationale conflicten en dat toepassing van de Wet Oorlogsstrafrecht in strijd was met het internationaal recht en het legaliteitsbeginsel. Ook werd betoogd dat de verjaringstermijn was verstreken en dat het slachtoffer geen beschermde persoon was. De Hoge Raad verwierp deze bezwaren en bevestigde dat foltering en ernstige schendingen van het oorlogsrecht strafbaar zijn zonder verjaring en dat de Wet Oorlogsstrafrecht universele jurisdictie toekent.
De Hoge Raad benadrukte dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om wetgeving te toetsen aan ongeschreven internationaal recht en dat de parlementaire geschiedenis en internationale verdragen de jurisdictie ondersteunen. De zaak bevestigt het belang van universele jurisdictie bij ernstige internationale misdrijven en de plicht tot vervolging ongeacht nationaliteit of plaats van het delict.
De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en handhaafde de veroordeling tot twaalf jaar gevangenisstraf, waarmee de juridische kaders voor vervolging van oorlogsmisdaden en foltering in Nederland werden bevestigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot twaalf jaar gevangenisstraf wordt bevestigd.