ECLI:NL:HR:2008:BG1682
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- O. de Savornin Lohman
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- A. Hammerstein
- W.A.M. van Schendel
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verlenging en intrekking surseance van betaling in faillissementsprocedure
De zaak betreft een verzoek van een schuldenaar tot verlenging van de surseance van betaling en een verzoek van de bewindvoerder tot intrekking van die surseance, gevolgd door faillietverklaring. De rechtbank verleende aanvankelijk surseance van betaling voor anderhalf jaar, maar beëindigde deze op verzoek van de bewindvoerder en verklaarde de schuldenaar failliet. Hiertegen stelde de schuldenaar hoger beroep en vervolgens cassatie in.
De Hoge Raad bevestigt dat de rechter de vrijheid heeft om de geschilpunten in de volgorde te behandelen die het meest aangewezen is. Het hof had het verzoek tot intrekking van de surseance eerst mogen behandelen, omdat het criterium voor intrekking in wezen gelijk is aan dat voor afwijzing van een verlengingsverzoek. De klacht dat het standpunt van de schuldeisers niet voldoende in acht zou zijn genomen, faalt eveneens omdat dit alleen relevant is indien een deel van de schuldeisers zich tegen verlening verklaart.
Het cassatieberoep wordt verworpen. De uitspraak bevestigt de rechtspraktijk dat de rechter discretionaire bevoegdheid heeft in de procedurele volgorde van behandeling van verzoeken in faillissementszaken, mits de wettelijke criteria worden toegepast.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het faillissementsvonnis.