ECLI:NL:HR:2008:BG3719
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad uitspraak over overschrijding redelijke termijn in cassatiefase bij ontnemingszaak
In deze zaak stond de vraag centraal of de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, gevolgen moest hebben voor het cassatieberoep in een ontnemingszaak. De betrokkene had beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Leeuwarden.
De Hoge Raad constateerde dat meer dan twee jaren waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, waardoor de redelijke termijn was overschreden. Echter, de Hoge Raad oordeelde dat deze overschrijding in deze zaak geen zelfstandige betekenis toekomt en dat het middel faalt.
De Hoge Raad verwees naar een samenhangende strafzaak waarin eveneens sprake was van termijnoverschrijding, en gaf aan dat de compensatie voor de overschrijding in die hoofdzaak zal worden toegepast. Hierdoor verbond de Hoge Raad aan de overschrijding in deze ontnemingszaak geen rechtsgevolgen en verwierp het beroep.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen ondanks overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.