ECLI:NL:HR:2008:BG4235

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 november 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
42096
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • J.W. van den Berge
  • C. Schaap
  • J.W.M. Tijnagel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet VBArt. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Conservatoir beslag op banktegoed geen waardeverminderende factor bij vermogensbelasting

Belanghebbende kreeg voor het jaar 2000 een aanslag in de vermogensbelasting opgelegd, welke na bezwaar door de Inspecteur werd gehandhaafd. Het Gerechtshof verklaarde het tegen deze uitspraak ingestelde beroep ongegrond. Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad stelde vast dat het banktegoed een bezitting is zoals bedoeld in artikel 4 van Pro de Wet op de vermogensbelasting 1964. Vervolgens oordeelde de Hoge Raad dat het conservatoir beslag op dit banktegoed geen waardeverminderende factor vormt en ook niet als schuld kan worden aangemerkt.

De overige klachten van belanghebbende werden niet ontvankelijk verklaard omdat zij niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling leidden. De Hoge Raad wees het beroep in cassatie af en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard; conservatoir beslag op banktegoed vormt geen waardevermindering of schuld.

Uitspraak

Nr. 42.096
14 november 2008
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 12 april 2005, nr. 03/00718, betreffende een aanslag in de vermogensbelasting.
1. Het geding in feitelijke instantie
Aan belanghebbende is voor het jaar 2000 een aanslag in de vermogensbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.
De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. Het Hof heeft, na te hebben vastgesteld - in cassatie onbestreden - dat het onderhavige banktegoed een bezitting is als bedoeld in artikel 4 van Pro de Wet op de vermogensbelasting 1964, met juistheid geoordeeld dat de omstandigheid dat hierop conservatoir beslag is gelegd geen waardeverminderende factor vormt en evenmin in aanmerking kan worden genomen als een schuld. De tegen laatstvermeld oordeel gerichte klachten falen derhalve.
3.2. Ook de overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en J.W.M. Tijnagel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2008.