ECLI:NL:HR:2008:BG4821
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- P.J. van Amersfoort
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtmatigheid terbeschikkingstellingsregeling in inkomstenbelasting bij verbonden personen
Belanghebbende was eigenaar van een bedrijfspand dat hij verhuurde aan zijn echtgenote, die het pand gebruikte in haar onderneming. Voor de jaren 2001 en 2002 werden aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd en gehandhaafd na bezwaar en beroep bij rechtbank en hof.
Het geschil betrof de toepassing van artikel 3.91, lid 1, letter a, Wet IB 2001, die de terbeschikkingstelling van vermogensbestanddelen aan verbonden personen als een werkzaamheid aanmerkt. Belanghebbende stelde dat deze regeling leidde tot ongerechtvaardigde ongelijke behandeling in strijd met artikel 26 IVBPR Pro en artikel 14 EVRM Pro.
De Hoge Raad oordeelde dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij fiscale regelgeving en dat de beperking van de kring van verbonden personen tot partner en minderjarige kinderen objectief en redelijk is gemotiveerd. De klachten faalden en het cassatieberoep werd ongegrond verklaard.
De Hoge Raad achtte geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en bevestigde daarmee de uitspraken van Hof Arnhem.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de terbeschikkingstellingsregeling bevestigd.