ECLI:NL:HR:2008:BG4823
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- C.J.J. van Maanen
- C. Schaap
- Rechtspraak.nl
Geen recht op heffingskorting voor Belgisch inwoner met Nederlandse werkende echtgenoot
Belanghebbende, een inwoner van België en advocaat met een substantieel Belgisch inkomen, verzocht om uitbetaling van de algemene heffingskorting voor 2002. Dit verzoek werd door de Inspecteur afgewezen en het bezwaar werd gehandhaafd. Het Gerechtshof verklaarde het beroep ongegrond. Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
De kern van het geschil betrof de vraag of belanghebbende op grond van artikel 25, § 3, van het Belastingverdrag Nederland-België recht heeft op verhoging van de heffingskorting voor minstverdienende partners zoals bedoeld in artikel 8.9 van de Wet IB 2001. De Hoge Raad bevestigde dat Nederland aan zijn eigen inwoners die weinig of geen inkomensheffing betalen en een partner met inkomen heeft, een verhoging van de heffingskorting verleent, maar dat deze verhoging wordt verlaagd met belastingverminderingen ter voorkoming van dubbele belasting.
Omdat belanghebbende een substantieel inkomen in België geniet, komt zij niet in aanmerking voor de verhoging van de heffingskorting. Dit is ook de bedoeling van de wetgever. De Hoge Raad oordeelde dat het belastingverdrag niet meebrengt dat belanghebbende wel recht heeft op die verhoging. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt dat belanghebbende geen recht heeft op verhoging van de heffingskorting.