ECLI:NL:HR:2008:BG6304
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J.M. Corstens
- B.C. de Savornin Lohman
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Vermindering ontnemingsbedrag wegens overschrijding redelijke termijn en uitleg bewezenverklaring drugshandel
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel door drugshandel. Betrokkene werd beschuldigd van cocaïnehandel in de periode van 1 augustus 2001 tot en met 23 oktober 2003. De rechtbank verklaarde bewezen dat betrokkene in deze periode cocaïne verkocht heeft.
Het geschil spitst zich toe op de interpretatie van de doorhaling van de woorden "of omstreeks" in de tenlastelegging en de gevolgen daarvan voor de ontnemingsvordering. De Hoge Raad oordeelt dat het doorhalen van deze woorden niet betekent dat betrokkene is vrijgesproken van drugshandel in de ruimere periode die door "omstreeks" werd aangeduid. De rechtbank achtte de meer specifieke tijdsaanduiding bewezen en kon daarom de woorden doorhalen.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat het hof terecht voordeel heeft betrokken dat betrokkene heeft verkregen met drugstransacties voorafgaand aan de bewezenverklaarde periode, omdat dit soortgelijke feiten betreft. Daarnaast is vastgesteld dat de redelijke termijn voor de procedure is overschreden, wat leidt tot vermindering van het te betalen bedrag van €37.808 naar €34.000.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep voor het overige en bevestigt het oordeel van het hof dat geen sprake is van vrijspraak van de drugshandel waarvoor ontneming wordt gevorderd. Het arrest is gewezen door de president en raadsheren en uitgesproken op 9 december 2008.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert het opgelegde ontnemingsbedrag tot €34.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn en bevestigt de bewezenverklaring van drugshandel.