ECLI:NL:HR:2008:BG7228

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 december 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
43305
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • L. Monné
  • C.J.J. van Maanen
  • J.W.M. Tijnagel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 lid 1 letter f Wet LB 1964Art. 15 lid 7 Wet LB 1964Art. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling werkkledingbegrip bij vervuilde kleding in loonbelastingzaak

Belanghebbende, een schildersbedrijf, kreeg een naheffingsaanslag en boete opgelegd over het tijdvak 1998-2000 vanwege verstrekte kleding aan werknemers. De kleding raakte snel besmeurd met verf en was daarna moeilijk schoon te krijgen.

Het hof oordeelde dat deze kleding, ondanks vervuiling, als werkkleding kon worden aangemerkt omdat zij nagenoeg uitsluitend geschikt was om bij het verwerven van loon te worden gedragen. De Staatssecretaris van Financiën stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel.

De Hoge Raad oordeelde dat uit de wet en wetsgeschiedenis niet volgt dat vervuilde kleding die ook buiten het werk kan worden gedragen, als werkkleding kan gelden alleen vanwege vervuiling. Daarom vernietigde de Hoge Raad het hofarrest en verwees de zaak terug voor herberekening van de naheffingsaanslag.

Daarnaast constateerde de Hoge Raad een overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure en gaf het verwijzingshof de opdracht om bij instandhouding van de boete te beoordelen of en in hoeverre dit gevolgen heeft voor de boetehoogte.

De Hoge Raad wees geen proceskosten toe en sprak het arrest uit op 19 december 2008.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor herberekening van de naheffingsaanslag en beoordeling van de boete.

Uitspraak

Nr. 43.305
19 december 2008
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 24 april 2006, nr. P04/02294, betreffende een aan X CV te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven boetebeschikking.
1. Het geding in feitelijke instantie
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1998 tot en met 31 december 2000 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede een boete. De naheffingsaanslag en de boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.
Het Hof heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden uitspraken vernietigd en de naheffingsaanslag en de boete verminderd.
De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende oefent een schildersbedrijf uit. Zij verstrekt kleding aan haar werknemers. Deze kleding raakt na de eerste verstrekking aan een werknemer snel besmeurd met verf en is daarna niet goed van de verfvlekken te ontdoen.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de door belanghebbende aan haar werknemers verstrekte kleding normaliter niet, maar wel op grond van de hiervoor in 3.1 vermelde omstandigheden nagenoeg uitsluitend geschikt is om bij het verwerven van loon te worden gedragen en dat in zoverre sprake is van werkkleding in de zin van artikel 15, lid 1, aanhef en letter f, Wet op de loonbelasting 1964 (in de voor het onderhavige tijdvak geldende tekst).
Tegen dit oordeel richt zich het middel.
3.3. Het middel slaagt. Uit de tekst van de wet noch de wetsgeschiedenis is af te leiden dat kleding die op zichzelf buiten het kader van de vervulling van de dienstbetrekking kan worden gedragen, als werkkleding in de hier bedoelde zin kan worden aangemerkt op de enkele grond dat die kleding door de werkzaamheden vervuild is of raakt en niet meer goed van deze vervuiling is te ontdoen. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen ter herberekening van de hoogte van de naheffingsaanslag.
4. Overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 31 mei 2006. Op het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, zijn mitsdien gerekend vanaf die dag meer dan twee jaren verstreken. Dit levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro op. Indien na verwijzing de aan belanghebbende opgelegde boete tot enig bedrag in stand blijft, is het aan het verwijzingshof om - met inachtneming van de totale duur van de berechting - te beoordelen of, en zo ja, in hoeverre aan vorenbedoelde overschrijding gevolg dient te worden verbonden voor de hoogte van de boete.
5. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer L. Monné als voorzitter, en de raadsheren C.J.J. van Maanen en J.W.M. Tijnagel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2008.