ECLI:NL:HR:2009:BD0239

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
43875
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.10 Wet IB 2001Art. 4.11 Wet IB 2001EG-Verdrag
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op bedrijfsopvolgingsfaciliteiten voor in Canada wonende verkrijger fictief aanmerkelijk belang

Belanghebbende, woonachtig in Canada, kreeg in 2001 een pakket aandelen van minder dan 5% in een Nederlandse bv, wat volgens het hof geen aanmerkelijk belang oplevert. Hij verzocht vergeefs om bedrijfsopvolgingsfaciliteiten zoals voorwaardelijke kwijtschelding of uitstel van betaling van de successierechtelijke aanslag.

In cassatie stelde belanghebbende dat het hof artikel 4.10 Wet IB 2001 onjuist interpreteerde en dat er sprake was van ongeoorloofde discriminatie en strijd met het vrije kapitaalverkeer uit het EG-Verdrag. De A-G concludeerde dat de meetrekregeling niet van toepassing is op fictieve aanmerkelijk belangen en dat de ongelijke behandeling objectief en redelijk gerechtvaardigd is.

Ten aanzien van het vrije kapitaalverkeer oordeelde de A-G dat de belemmering weliswaar bestaat, maar dat de rechtvaardiging vanwege fiscale controlebehoeften disproportioneel is, omdat niet-ingezetenen met een aanmerkelijk belang wel de faciliteiten kunnen krijgen. De Hoge Raad verklaarde het beroep gegrond, maar publiceerde de uitspraak niet.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende werd gegrond verklaard, waarbij het hof oordeel over het aanmerkelijk belang werd vernietigd.

Uitspraak

Uitspraak wordt niet gepubliceerd