ECLI:NL:HR:2009:BD3565

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 januari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/10944
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
  • A.R. Leemreis
  • E.N. Punt
  • J.A.C.A. Overgaauw
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67e Awir
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van vergrijpboete bij navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2001

In deze zaak is aan belanghebbende een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2001 opgelegd, samen met een vergrijpboete. De navorderingsaanslag werd onherroepelijk na het verstrijken van de bezwaarperiode, waarna een te laat ingediend bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard. Belanghebbende stelde beroep en hoger beroep in tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de boetebeschikking, maar deze werden ongegrond verklaard door de rechtbank.

Het gerechtshof vernietigde vervolgens de uitspraak van de inspecteur en de boetebeschikking zelf, waarbij het oordeelde dat belanghebbende geen opzet of grove schuld kon worden verweten met betrekking tot de te lage aangifte. De Hoge Raad toetste in cassatie of het hof ten onrechte de boetebeschikking had vernietigd op gronden die alleen voor de navorderingsaanslag van belang zijn.

De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het hof dat geen opzet of grove schuld bestond, niet onjuist was en dat dit oordeel niet in cassatie kan worden getoetst omdat het feitelijke waarderingen betreft. Gezien dit oordeel was de vernietiging van de boetebeschikking terecht. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën ongegrond en veroordeelde de Staat tot vergoeding van de proceskosten.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en de boetebeschikking vernietigd.

Uitspraak

nr. 07/10944
23 januari 2009
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 11 juli 2007, nr. 06/00265, betreffende een aan X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde boete.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is over het jaar 2001 een navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, alsmede een boete.
De Inspecteur heeft het tegen de boetebeschikking gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
De Rechtbank te Haarlem heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, alsmede de boetebeschikking. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 16 mei 2008 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
De onderhavige boete is belanghebbende opgelegd gelijktijdig met de vaststelling van een haar over het jaar 2001 opgelegde navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting. Die navorderingsaanslag is in rechte onaantastbaar geworden door het verstrijken van de termijn waarbinnen tegen de aanslag bezwaar kon worden gemaakt; een eerst na ommekomst van die termijn door belanghebbende ingediend bezwaarschrift is door de Inspecteur wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard, tegen welke uitspraak belanghebbende vergeefs beroep en hoger beroep heeft ingesteld.
3.2. Het Hof heeft ter motivering van zijn oordeel dat de boetebeschikking dient te worden vernietigd, verwezen naar de gronden welke zijn vermeld in zijn uitspraken waarbij de voor de jaren 1999, 2000 en 2002 aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen zijn vernietigd. Die uitspraken betreffen volgens het Hof in wezen alle dezelfde aangelegenheid als aan de orde in de onderhavige uitspraak.
3.3. Voor zover in de middelen wordt aangevoerd dat het Hof ten onrechte op gronden die slechts van toepassing zijn op de navorderingsaanslag de in geding zijnde boetebeschikking heeft vernietigd, zijn zij ongegrond. Het moge zo zijn dat de onderhavige zaak van de drie andere door het Hof beoordeelde zaken verschilt doordat in de onderhavige zaak moet worden uitgegaan van de rechtmatigheid van de navorderingsaanslag. Het moge verder zo zijn dat het door het Hof in die andere zaken gegeven oordeel dat een wettelijke grondslag voor navordering ontbrak, een omstandigheid betreft die niet van belang is voor de beoordeling van de vraag of belanghebbende het beboetbare feit als bedoeld in artikel 67e, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen heeft begaan, en evenmin voor de beoordeling van de ernst van het vergrijp en de ernst van het belanghebbende te dier zake te maken verwijt. Echter, het Hof heeft in de andere drie zaken tevens geoordeeld dat aan belanghebbende (zelf) geen opzet of grove schuld kan worden verweten ter zake van het gedaan zijn van aangifte naar een te laag bedrag. Laatstbedoeld oordeel is wel van belang voor de (on)mogelijkheid belanghebbende een boete op te leggen (vgl. HR 1 december 2006, nr. 40369, BNB 2007/151).
De middelen falen ook voor zover zij het zo-even vermelde oordeel van het Hof dat belanghebbende geen opzet of grove schuld kan worden verweten, bestrijden. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of anderszins onvoldoende gemotiveerd. Uitgaande van dat oordeel heeft het Hof terecht de boetebeschikking vernietigd.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, A.R. Leemreis, E.N. Punt en J.A.C.A. Overgaauw, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2009.
Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 433.