ECLI:NL:HR:2009:BF2089
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- W.A.M. van Schendel
- J.W. Ilsink
- J. de Hullu
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn en beoordeling verzoek psychiatrisch onderzoek
In deze cassatieprocedure stond centraal het verzoek van de verdediging om nieuw psychiatrisch onderzoek te verrichten naar de geestvermogens van de verdachte, mede in het licht van tegenstrijdige rapporten van gedragsdeskundigen. Dit verzoek werd door het hof niet als een verzoek tot aanhouding opgevat, waarop de verdediging niet heeft gereageerd. De Hoge Raad oordeelde dat dit oordeel niet onbegrijpelijk was.
Daarnaast werd geklaagd dat de oplegging van de maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging in strijd zou zijn met artikel 5.1.e EVRM omdat een advies van een deskundige ontbrak. Deze klacht werd verworpen, mede verwijzend naar een eerder arrest van dezelfde datum.
De Hoge Raad constateerde voorts dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, wat leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf tot 14 maanden. Het beroep werd verder verworpen en het arrest vernietigd voor zover het de duur van de gevangenisstraf betrof.
De uitspraak benadrukt het belang van een duidelijke procedurele behandeling van verzoeken tot aanhouding en bevestigt de rechtmatigheid van de maatregel terbeschikkingstelling ondanks het ontbreken van een nieuw deskundigenadvies.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot 14 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; het beroep is verder verworpen.