ECLI:NL:HR:2009:BF3741
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- W.A.M. van Schendel
- W.M.E. Thomassen
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Toetsing levenslange gevangenisstraf aan artikelen 3 en 5 EVRM
In deze zaak stond centraal de vraag of het opleggen van een levenslange gevangenisstraf zonder wettelijke voorziening voor periodieke rechterlijke toetsing in strijd is met de waarborgen van artikel 3 en Pro 5 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
De verdediging voerde aan dat het ontbreken van een wettelijke regeling voor periodieke toetsing van de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf een schending van deze artikelen oplevert. De Hoge Raad oordeelde dat uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), met name het arrest Kafkaris vs. Cyprus, niet volgt dat een wettelijk voorgeschreven periodieke herbeoordeling verplicht is. Het is voldoende dat de straf de iure en de facto verkort kan worden.
De Hoge Raad verwees naar bestaande Nederlandse mogelijkheden, zoals gratieverlening en het aanvechten van de rechtmatigheid van de tenuitvoerlegging bij de burgerlijke rechter. Hoewel de zogenoemde "volgprocedure langgestraften" in 2000 is ingetrokken, waardoor een belangrijke tussentijdse toetsingsmogelijkheid verviel, blijft gratie mogelijk, zij het nu afhankelijk van het initiatief van de veroordeelde.
De Hoge Raad concludeerde dat het verweer dat de oplegging van een levenslange gevangenisstraf in strijd is met artikel 3 en Pro 5 EVRM terecht is verworpen. De stelling dat levenslange gevangenisstraffen in Nederland nooit worden verkort is een feitelijke kwestie die niet door de Hoge Raad kan worden onderzocht. Het beroep in cassatie werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het opleggen van een levenslange gevangenisstraf niet strijdig is met artikel 3 en 5 EVRM.