ECLI:NL:HR:2009:BG4012
Hoge Raad
- Cassatie
- J.B. Fleers
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- A. Hammerstein
- C.A. Streefkerk
- W.D.H. Asser
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Beoordeling onpartijdigheid rechter bij bewijsvermoeden in civiele procedure
In deze civiele procedure stond de vraag centraal of een rechter onpartijdig kan zijn wanneer hij in een eerdere fase van de procedure een tussenbeslissing heeft genomen waarin een bewijsvermoeden ten nadele van een partij werd aangenomen. Eiser had tegen de rechters die deze beslissing namen een wrakingsverzoek ingediend, dat door het hof werd afgewezen. De Hoge Raad bevestigt dat het enkele feit dat een rechter eerder een oordeel heeft geveld dat nadelig is voor een partij, niet leidt tot een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid in de zin van artikel 6 EVRM Pro.
De Hoge Raad benadrukt dat het de taak van de rechter is om over de juistheid en aannemelijkheid van stellingen te oordelen en dat het uitspreken van een vermoeden in een tussenbeslissing geen reden is om de onpartijdigheid van de rechter te betwijfelen. Ook het feit dat de partij zich niet kan verenigen met het oordeel, vormt geen grond voor wraking. Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het hof terecht vasthield aan het bewijsvermoeden, ook nadat bleek dat een van de gronden onjuist was, omdat het hof dit uitvoerig motiveerde aan de hand van concrete feiten.
Het cassatieberoep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het geding. Hiermee wordt bevestigd dat het recht op een eerlijk proces niet is geschonden en dat het bewijsvermoeden en de beoordeling daarvan door dezelfde rechterlijke kamer rechtmatig zijn verlopen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het geding.