ECLI:NL:HR:2009:BG4258
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J.P. Balkema
- B.C. de Savornin Lohman
- J. de Hullu
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van ontnemingsvordering bij ontbreken strafrechtelijke veroordeling
In deze zaak stond een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, ingediend door het Openbaar Ministerie. Het hof had de vordering afgewezen omdat er geen strafrechtelijke veroordeling was uitgesproken tegen de betrokkene. De Hoge Raad oordeelde dat deze afwijzing onjuist was, omdat artikel 36e Sr vereist dat een ontnemingsvordering alleen ontvankelijk is indien er een veroordeling wegens een strafbaar feit is.
De Hoge Raad verduidelijkte dat het ontbreken van een strafrechtelijke veroordeling de ontvankelijkheid van een ontnemingsvordering in de weg staat, zoals volgt uit de samenhang tussen artikel 511e lid 1 en artikel 348 Sv Pro. De zaak werd om doelmatigheidsredenen door de Hoge Raad zelf afgedaan door het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de ontnemingsvordering.
Verder werd opgemerkt dat artikel 68 Sr Pro niet verhindert dat een ontnemingsvordering opnieuw wordt ingediend binnen de wettelijke termijn, omdat deze bepaling alleen ziet op onherroepelijke beslissingen in de hoofdzaak en de ontnemingsprocedure als onderdeel van die vervolging moet worden beschouwd.
Het arrest werd gewezen door de vice-president en vier raadsheren van de Hoge Raad op 17 februari 2009.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard in de ontnemingsvordering wegens het ontbreken van een strafrechtelijke veroordeling.