ECLI:NL:HR:2009:BG4906
Hoge Raad
- Cassatie
- J.B. Fleers
- O. de Savornin Lohman
- E.J. Numann
- J.C. van Oven
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Vordering tot winstafdracht bij merkinbreuk en gebruik te kwader trouw
Deze zaak betreft een cassatieberoep over de uitleg en toepassing van artikel 13.A, lid 5, van de Benelux-Merkenwet (BMW) inzake winstafdracht bij merkinbreuk. De Hoge Raad verwijst naar eerdere arresten, waaronder het tussenarrest van 27 oktober 2006 en het arrest van het Benelux-Gerechtshof van 11 februari 2008, waarin de criteria voor 'gebruik te kwader trouw' nader zijn toegelicht.
Het gerechtshof Amsterdam had geoordeeld dat voldoende was dat de merkinbreuk aan de inbreukmaker achteraf kon worden verweten, en dat het risico van inbreuk bij de inbreukmaker lag. De Hoge Raad stelt dat dit onjuist is: 'gebruik te kwader trouw' vereist een moedwillige inbreuk waarbij de inbreukmaker zich bewust was van het inbreukmakend karakter van zijn handelen, tenzij hij zich met een niet kansloos verweer op een gerechtvaardigde contractuele relatie beroept.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat de feiten en omstandigheden die door de inbreukmaker zijn aangevoerd, en die het Benelux-Gerechtshof als relevante 'omstandigheden van het geval' heeft aangemerkt, onvoldoende zijn gemotiveerd door het hof bij de afwijzing van de winstafdrachtvordering. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak naar het gerechtshof 's-Gravenhage voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: Het arrest van het gerechtshof Amsterdam wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het gerechtshof 's-Gravenhage voor verdere behandeling.