ECLI:NL:HR:2009:BG5623

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 juni 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/00397 E
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • J.W. Ilsink
  • W.M.E. Thomassen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Verordening (EEG) nr. 3820/85Art. 5:12 lid 1 Arbeidstijdenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest wegens ontoereikende motivering bewijs rij- en rusttijden vrachtwagenchauffeurs

In deze strafzaak stond de verdachte terecht wegens overtreding van voorschriften omtrent rij- en rusttijden van vrachtwagenchauffeurs in de periode van 18 april 2003 tot en met 1 juni 2003. De verdachte werd verweten niet te hebben gehandeld overeenkomstig artikel 8 van Pro Verordening (EEG) nr. 3820/85, waarbij de dagelijkse rusttijd van bestuurders onvoldoende was.

De bewezenverklaring omvatte 36 overtredingen van het Arbeidstijdenbesluit vervoer, maar de Hoge Raad constateerde dat het relaas van de verbalisant over de voertuigen waarmee de overtredingen zouden zijn begaan niet eenduidig was. Met name was onduidelijk of het ging om combinaties van trekker en oplegger of losse trekkers, en ontbrak voldoende bewijs over het laadvermogen van de losse trekkers.

Hierdoor was de motivering van de bewezenverklaring ontoereikend en onvoldoende onderbouwd. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof Arnhem voor zover het beslissingen betrof over de feiten 1 en 3 tot en met 9 en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde behandeling. Het beroep werd voor het overige verworpen.

Uitkomst: Het arrest van het hof Arnhem is vernietigd wegens ontoereikende motivering van de bewezenverklaring en de zaak is terugverwezen voor hernieuwde behandeling.

Uitspraak

30 juni 2009
Strafkamer
nr. 08/00397 E
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, Economische Kamer, van 6 februari 2007, nummer 21-005157-05, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], gevestigd te [vestigingsplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraken is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. V.Q. Vallenduuk, advocaat te Haarlem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het arrest voor zover dat beslissingen bevat over de feiten 1 en 3 tot en met 9 en tot terugwijzing van de zaak.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1. Het middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring van de feiten 1 en 3 tot en met 9 onvoldoende met redenen is omkleed.
2.2. Ten laste van de verdachte is telkens onder 1 en 3 tot en met 9 bewezenverklaard dat zij:
"(...) in de periode van 18 april 2003 tot en met 1 juni 2003, niet heeft gehandeld overeenkomstig artikel 8 van Pro de Verordening (EEG) nr. 3820/85, immers had die (...), die als bestuurder wegvervoer verrichtte tussen Nederland, België, Frankrijk en/of Duitsland, met een vrachtauto waarvan het kenteken- of registratiebewijs een laadvermogen van meer dan 500 kilogram vermeldde,
- in de periode van 24 uur, aanvangende op (...) uur of daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid Pro l van voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende rusttijd van die bestuurder ongeveer (...), in elk geval minder dan 9 uur terwijl verdachte, die toen (telkens) werkgever was van voornoemde bestuurder, wordt aangemerkt als degene die voornoemde bepaling niet heeft nageleefd (...)."
Deze bewezenverklaring behelst 36 overtredingen van een voorschrift gesteld krachtens art. 5:12, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet, in de periode van 18 april 2003 tot en met 1 juni 2003 begaan door de verdachte in haar hoedanigheid van werkgever. Bedoelde voorschriften zijn neergelegd in het Arbeidstijdenbesluit vervoer en betreffen de rij- en rusttijden die een bestuurder van een vrachtauto in acht dient te nemen.
2.4. Dat tot het bewijs gebezigde relaas van de verbalisant houdt enerzijds in dat de gecontroleerde voertuigen combinaties van trekker en oplegger betroffen, alle met een laadvermogen dat 500 kilogram te boven gaat, doch anderzijds dat de "tenlastegelegde overtredingen" betrekking hebben op "voertuigen, te weten een combinatie van trekker met oplegger dan wel een losse trekker. Ten aanzien van de voertuigen waarmee de geconstateerde overtredingen zouden zijn begaan, is dat relaas dus niet eenduidig. Daar komt nog bij dat de bewijsvoering omtrent het laadvermogen van die losse trekker(s), dan wel de vermelding daarvan in het kenteken- of registratiebewijs van die trekker(s) niets inhoudt.
Dat brengt mee dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd. Het middel klaagt daarover terecht.
3. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak - voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen - ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat de middelen voor het overige geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak voor zover aan zijn oordeel onderworpen, doch uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 9 tenlastegelegde;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Arnhem, Economische Kamer, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 30 juni 2009.