ECLI:NL:HR:2009:BG7244
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bewijsgebruik verklaringen uit België bij meineed
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, waarin verdachte werd bewezenverklaard van meineed. Verdachte had in België verklaringen afgelegd die hij in Nederland als getuige ontkende. De verdediging stelde dat deze verklaringen niet gebruikt mochten worden vanwege schending van artikel 6 EVRM Pro.
Het hof oordeelde dat de vermeende onregelmatigheden bij het Belgische verhoor niet hadden plaatsgevonden en dat deze omstandigheden geen invloed hadden op de vraag of verdachte zich in Nederland schuldig had gemaakt aan meineed door onder ede te ontkennen wat hij in België had verklaard.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het beroep, stellende dat alleen relevant is of verdachte de verklaringen zoals weergegeven in de processen-verbaal heeft afgelegd. Het middel dat de verklaringen niet als bewijs mochten dienen, werd terecht verworpen. Het tweede middel werd niet-ontvankelijk verklaard.
Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren en bevestigt de rechtspraak dat onregelmatigheden in het buitenlandse verhoor geen bewijsuitsluiting tot gevolg hebben bij meineed in Nederland.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de bewezenverklaring van meineed.