ECLI:NL:HR:2009:BG7751

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/12952
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.J.A. van Dorst
  • J.W. Ilsink
  • J. de Hullu
  • W.M.E. Thomassen
  • H.A.G. Splinter-van Kan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 316 SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelaatbaarheid van voorwaarden bij verwijzing naar rechter-commissaris voor deskundigenonderzoek

In deze cassatieprocedure stond centraal de vraag of het gerechtshof bij het verwijzen van een zaak naar de rechter-commissaris voor een deskundigenonderzoek voorwaarden mocht stellen. Het hof had een voorwaarde verbonden aan de benoeming van een onafhankelijke, forensisch-medisch deskundige, waarbij overleg met andere deskundigen alleen na toestemming van de rechter-commissaris was toegestaan en alleen gerechtelijk beëdigde deskundigen in Nederland in aanmerking kwamen.

De verdediging stelde dat het hof geen dergelijke beperkende voorwaarden mocht opleggen. De Hoge Raad oordeelde echter dat de tekst van artikel 316, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering ruimte biedt voor een nadere aanduiding van het onderwerp en de wijze van het onderzoek. Daarnaast heeft het hof in hoger beroep de leiding over het onderzoek en draagt het mede verantwoordelijkheid voor de voortgang van de strafzaak.

De Hoge Raad benadrukte dat het hof ook de deskundigheid, onafhankelijkheid en onbevooroordeeldheid van de deskundige moet bewaken. Daarom stond het hof vrij om de voorwaarde aan de verwijzingsopdracht te verbinden. Het beroep in cassatie werd verworpen omdat de middelen niet tot cassatie konden leiden.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het gerechtshof voorwaarden mag stellen bij verwijzing naar de rechter-commissaris voor deskundigenonderzoek.

Uitspraak

17 februari 2009
Strafkamer
nr. 07/12952
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 23 oktober 2007, nummer 22/002655-06, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "De IJssel" te Krimpen aan de IJssel.
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
1.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsvrouwe op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1. Het middel klaagt over de beperkende voorwaarden die het Hof heeft gesteld bij de verwijzing van de zaak naar de Rechter-Commissaris voor een door een deskundige uit te voeren onderzoek.
2.2. De voor de beoordeling van het middel relevante gang van zaken is weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5 tot en met 11.
2.3. Naar de kern genomen stelt het middel de vraag aan de orde of het Hof een beperkende voorwaarde mocht stellen bij verwijzing van de zaak naar de Rechter-Commissaris ten behoeve van de benoeming van een onafhankelijke,
forensisch-medisch deskundige. Meer in het bijzonder gaat het om de vraag naar de toelaatbaarheid van de voorwaarde: "indien de deskundige overleg wenst te plegen met andere deskundigen, dan kan dit overleg alleen plaats hebben na overleg met de rechter-commissaris; slechts in Nederland werkende en als vast gerechtelijk beëdigde deskundigen komen hiervoor in aanmerking".
2.4. Het ook in hoger beroep toepasselijke art. 316, eerste lid, Sv bepaalt:
"Indien enig onderzoek door de rechter-commissaris noodzakelijk blijkt, stelt de rechtbank met schorsing van het onderzoek ter terechtzitting onder aanduiding van het onderwerp van het onderzoek en, zo nodig, van de wijze waarop dit zal zijn in te stellen, de stukken in handen van de rechter-commissaris."
2.5. De kennelijk aan het middel ten grondslag liggende opvatting dat het Hof bij zijn beslissing tot het doen verrichten van het in art. 316, eerste lid, Sv bedoelde onderzoek geen voorwaarden zou mogen stellen, vindt geen steun in de tekst van deze bepaling, nu daarin wordt gesproken over een nadere aanduiding "van het onderwerp van het onderzoek" en eventueel "van de wijze waarop dit zal zijn in te stellen". Ook overigens kan de opvatting niet als juist worden aanvaard, in aanmerking genomen dat het Hof in de fase van het hoger beroep de leiding heeft over het onderzoek van de zaak en daarbij mede verantwoordelijkheid heeft voor de voortgang van de strafzaak alsmede dat bij nader onderzoek als het onderhavige ook de deskundigheid, onafhankelijkheid en onbevooroordeeldheid van de deskundige moeten worden bewaakt.
2.6. Uit het voorgaande volgt dat het het Hof vrij stond om de desbetreffende voorwaarde aan zijn verwijzingsopdracht te verbinden.
2.7. Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.
3. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren, J.W. Ilsink, J. de Hullu, W.M.E. Thomassen en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 17 februari 2009.
Mr. Thomassen is buiten staat dit arrest te ondertekenen.