ECLI:NL:HR:2009:BG7751
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J.W. Ilsink
- J. de Hullu
- W.M.E. Thomassen
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Toelaatbaarheid van voorwaarden bij verwijzing naar rechter-commissaris voor deskundigenonderzoek
In deze cassatieprocedure stond centraal de vraag of het gerechtshof bij het verwijzen van een zaak naar de rechter-commissaris voor een deskundigenonderzoek voorwaarden mocht stellen. Het hof had een voorwaarde verbonden aan de benoeming van een onafhankelijke, forensisch-medisch deskundige, waarbij overleg met andere deskundigen alleen na toestemming van de rechter-commissaris was toegestaan en alleen gerechtelijk beëdigde deskundigen in Nederland in aanmerking kwamen.
De verdediging stelde dat het hof geen dergelijke beperkende voorwaarden mocht opleggen. De Hoge Raad oordeelde echter dat de tekst van artikel 316, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering ruimte biedt voor een nadere aanduiding van het onderwerp en de wijze van het onderzoek. Daarnaast heeft het hof in hoger beroep de leiding over het onderzoek en draagt het mede verantwoordelijkheid voor de voortgang van de strafzaak.
De Hoge Raad benadrukte dat het hof ook de deskundigheid, onafhankelijkheid en onbevooroordeeldheid van de deskundige moet bewaken. Daarom stond het hof vrij om de voorwaarde aan de verwijzingsopdracht te verbinden. Het beroep in cassatie werd verworpen omdat de middelen niet tot cassatie konden leiden.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het gerechtshof voorwaarden mag stellen bij verwijzing naar de rechter-commissaris voor deskundigenonderzoek.