ECLI:NL:HR:2009:BG7993

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/10549
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep en rolbeschikking over verlening akte niet-dienen niet in strijd met rolreglement

In deze zaak vorderde [verweerster] in kort geding medewerking van [verzoeker] aan uitspraken van het gerechtshof inzake echtscheiding en verdeling van gemeenschappelijke goederen. De voorzieningenrechter legde aan [verzoeker] diverse geboden op, waaronder het ondertekenen en verzenden van een verklaring, met dwangsommen bij niet-naleving.

[Verzoeker] stelde hoger beroep in tegen dit vonnis. Tijdens de rolzitting van het gerechtshof Arnhem werd op verzoek van [verweerster] een incidenteel arrest gewezen waarbij aan haar een akte niet-dienen werd verleend ten aanzien van de grieven van [verzoeker]. De zaak werd verwezen naar een volgende rolzitting voor het fourneren van stukken. Het hof bevestigde deze beslissing later mondeling en bepaalde dat tegen deze tussentijdse beslissingen cassatie mogelijk was.

[Verzoeker] stelde cassatieberoep in tegen deze rolbeschikkingen, maar de Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden. De Hoge Raad stelde dat de rolbeschikking niet in strijd was met het rolreglement (art. 81 RO Pro) en wees het beroep af zonder nadere motivering. De kosten werden gecompenseerd zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de rolbeschikking tot verlening van een akte niet-dienen niet in strijd is met het rolreglement.

Uitspraak

20 februari 2009
Eerste Kamer
07/10549
EV/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. C.J.J.C. van Nispen, thans mr. R.A.A. Duk,
t e g e n
[Verweerster],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] en [verweerster].
1. Het geding in feitelijke instanties
[Verweerster] heeft bij exploot van 11 september 2006 [verzoeker] in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter te Zutphen en gevorderd, kort gezegd, een gebod tot het verlenen van medewerking door [verzoeker] aan de veroordelingen die zijn vervat in twee beschikkingen van het gerechtshof te Arnhem waarbij onder andere de echtscheiding tussen beide partijen is uitgesproken en is bepaald op welke wijze de verdeling van de gemeenschappelijke goederen van partijen dient plaats te vinden.
[Verzoeker] heeft de vordering bestreden.
De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 9 november 2006, uitvoerbaar bij voorraad, [verzoeker] geboden:
a. de aan het vonnis gehechte verklaring, welke in tweevoud dient te worden betekend, te ondertekenen binnen vijf werkdagen na betekening daarvan aan hem;
b. één ondertekend exemplaar van de verklaring per aangetekende post aan het adres van [verweerster] te zenden, eveneens binnen vijf dagen na de onder a genoemde betekening, onder verbeurte van een dwangsom aan [verweerster] van € 1.000,-- voor iedere dag dat hij met de geboden in gebreke blijft nadat vijf werkdagen na betekening zijn verstreken zonder dat [verzoeker] bewijs van verzending kan overleggen;
c. zich te onthouden van enige communicatie tussen hemzelf en de trustee met het doel of effect de onder a. genoemde verklaring te ontkrachten onder verbeurte van een dwangsom aan [verweerster] van € 1.000,-- voor iedere schending van het vermelde verbod.
De voorzieningenrechter heeft voorts het maximum van de door [verzoeker] te verbeuren dwangsommen bepaald op een bedrag van € 100.000,-- en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem.
Op de rolzitting van het hof van 5 juni 2007 is op verzoek van [verweerster] bij als incidenteel arrest aan te merken beslissing aan haar akte verleend van het niet dienen van grieven door [verzoeker]. Daarbij is de zaak verwezen naar de rolzitting van het hof van 19 juni 2007 voor het fourneren van de stukken door partijen. Kort na 19 juni 2007 heeft het hof voorts een mondelinge beslissing gegeven om niet terug te komen op de bij het incidentele arrest gegeven beslissing. Bij arrest van 3 juli 2007 heeft het hof bepaald dat zowel van het incidentele arrest van 5 juni 2007 als van deze mondelinge beslissing tussentijds beroep in cassatie kan worden ingesteld.
Het arrest van 3 juli 2007 is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het incidentele arrest van 5 juni 2007 en de kort na 19 juni 2007 mondeling gegeven beslissing en het incidentele arrest van 3 juli 2007 heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerster] is verstek verleend.
De zaak is voor [verzoeker] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens, W.A.M. van Schendel en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 20 februari 2009.