ECLI:NL:HR:2009:BG9081

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 januari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
42622
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:13 lid 1 Wet IB 2001Art. 1:395a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling aftrek levensonderhoud jongmeerderjarig kind met wettelijke onderhoudsplicht

Belanghebbende kreeg voor het jaar 2002 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd die na bezwaar door de Inspecteur werd gehandhaafd. Het Gerechtshof Amsterdam verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond, vernietigde de uitspraak van de Inspecteur en verminderde de aanslag. De Staatssecretaris van Financiën stelde hiertegen cassatieberoep in.

De zaak betrof de vraag of de uitgaven voor het levensonderhoud van een jongmeerderjarig kind, dat een opleiding volgde en waarvoor geen recht op studiefinanciering of kinderbijslag bestond, als persoonsgebonden aftrek konden worden beschouwd. Het Hof oordeelde dat de onderhoudskosten aftrekbaar waren, mede gelet op de wettelijke onderhoudsplicht van de ouder jegens het kind.

De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof dat belanghebbende zich redelijkerwijs gedrongen kon voelen tot het doen van de uitgaven voor levensonderhoud, gelet op artikel 1:395a BW en de feiten. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard. Het incidentele beroep van belanghebbende behoefde geen behandeling omdat het alleen ingesteld was voor het geval het principale beroep zou slagen.

De Hoge Raad legde geen proceskostenveroordeling op en bepaalde dat de Staat een griffierecht van € 433 verschuldigd is voor het cassatieberoep.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de aftrek van onderhoudskosten voor het jongmeerderjarig kind bevestigd.

Uitspraak

Nr. 42.622
9 januari 2009
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 18 augustus 2005, nr. 04/01359, betreffende een aan X te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instantie
Aan belanghebbende is voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft het incidentele beroep beantwoord.
Belanghebbende heeft in het incidentele beroep een conclusie van repliek ingediend.
3. Uitgangspunten in cassatie
3.1.1. Belanghebbende is gehuwd en heeft twee dochters. Een van de dochters, geboren in 1981, (hierna: de dochter) volgde in de eerste drie kwartalen van het jaar 2002 een opleiding bij B (hierna: B). Zij had geen recht op studiefinanciering en belanghebbende en zijn echtgenote hadden geen recht op kinderbijslag voor haar. De dochter woonde in het onderhavige jaar bij belanghebbende en zijn echtgenote thuis.
3.1.2. De inkomsten van de dochter in de eerste drie kwartalen van het jaar 2002 bestonden uit: inkomsten uit arbeid ten bedrage van € 704, een vergoeding van B van € 1813 en rente op een bankrekening van € 565. Het vermogen van de dochter beliep begin respectievelijk ultimo 2002 € 17.037 onderscheidenlijk € 18.997.
3.1.3. Belanghebbende heeft de dochter in de eerste drie kwartalen van het onderhavige jaar grotendeels onderhouden.
3.2. Voor het Hof was in geschil of de kosten van het onder 3.1.3 bedoelde onderhoud kunnen worden aangemerkt als uitgaven voor levensonderhoud van kinderen als bedoeld in artikel 6.13, lid 1, Wet IB 2001. Het Hof heeft die vraag in onderdeel 5.5 van zijn uitspraak bevestigend beantwoord.
4. Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel
Met zijn oordeel heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat belanghebbende zich in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen tot het doen van de onderwerpelijke uitgaven voor levensonderhoud. Tegen de achtergrond van de op belanghebbende rustende verplichting als bedoeld in artikel 1:395a van het Burgerlijk Wetboek en de in onderdeel 2.2 van zijn uitspraak vastgestelde feiten getuigt dit oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting, en is het evenmin ontoereikend gemotiveerd. Het middel faalt derhalve.
5. Het incidentele beroep
Nu het incidentele beroep kennelijk alleen is ingesteld voor het geval het principale beroep zou slagen, maar dit geval zich niet voordoet, behoeft het geen behandeling.
6. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
7. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het principale beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren J.W.M. Tijnagel en A.H.T. Heisterkamp, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2009.
Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 433.