ECLI:NL:HR:2009:BG9081
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- J.W.M. Tijnagel
- A.H.T. Heisterkamp
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aftrek levensonderhoud jongmeerderjarig kind met wettelijke onderhoudsplicht
Belanghebbende kreeg voor het jaar 2002 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd die na bezwaar door de Inspecteur werd gehandhaafd. Het Gerechtshof Amsterdam verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond, vernietigde de uitspraak van de Inspecteur en verminderde de aanslag. De Staatssecretaris van Financiën stelde hiertegen cassatieberoep in.
De zaak betrof de vraag of de uitgaven voor het levensonderhoud van een jongmeerderjarig kind, dat een opleiding volgde en waarvoor geen recht op studiefinanciering of kinderbijslag bestond, als persoonsgebonden aftrek konden worden beschouwd. Het Hof oordeelde dat de onderhoudskosten aftrekbaar waren, mede gelet op de wettelijke onderhoudsplicht van de ouder jegens het kind.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof dat belanghebbende zich redelijkerwijs gedrongen kon voelen tot het doen van de uitgaven voor levensonderhoud, gelet op artikel 1:395a BW en de feiten. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard. Het incidentele beroep van belanghebbende behoefde geen behandeling omdat het alleen ingesteld was voor het geval het principale beroep zou slagen.
De Hoge Raad legde geen proceskostenveroordeling op en bepaalde dat de Staat een griffierecht van € 433 verschuldigd is voor het cassatieberoep.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de aftrek van onderhoudskosten voor het jongmeerderjarig kind bevestigd.