ECLI:NL:HR:2009:BG9151

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/10153 B
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 94.1 SvArt. 94.2 SvArt. 94a SvArt. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over beslag en teruggave auto onder art. 94 Sv

In deze zaak stond de vraag centraal of een auto die in beslag was genomen op grond van artikel 94 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) moest worden teruggegeven aan de eigenaar. De rechtbank had het beklag van de eigenaar ongegrond verklaard, omdat zij oordeelde dat het strafvorderlijk belang zich tegen teruggave verzette. Volgens de rechtbank was het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter later het inbeslaggenomen goed zou verbeurdverklaren of het wederrechtelijk verkregen voordeel zou ontnemen.

De raadsman van klager stelde dat de auto geen verband hield met de ten laste gelegde feiten en dat het hoogst onwaarschijnlijk was dat verbeurdverklaring zou volgen. Ook werd aangevoerd dat de auto dringend nodig was voor werk en privé. Het Openbaar Ministerie verzette zich tegen teruggave vanwege het lopende onderzoek en de voorgenomen vervolging.

De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank een onjuiste rechtsopvatting had gehanteerd door te stellen dat het belang van strafvordering zich tegen teruggave verzet indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat het wederrechtelijk voordeel zal worden ontnomen. Tevens vond de Hoge Raad dat het oordeel van de rechtbank over de verbeurdverklaring onvoldoende gemotiveerd en niet begrijpelijk was.

De Hoge Raad vernietigde daarom de bestreden beschikking en verwees de zaak naar het gerechtshof Amsterdam voor hernieuwde behandeling en beslissing op het klaagschrift.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak naar het gerechtshof voor hernieuwde behandeling.

Uitspraak

10 maart 2009
Strafkamer
Nr. 07/10153 B
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Amsterdam van 29 mei 2007, nummer RK 07/339, op een beklag als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:
[Klager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft mr. S.M. Krans, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel keert zich tegen de ongegrondverklaring van het beklag.
2.2. Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer houdt het volgende in:
"De raadsman van klager verklaart, zakelijk weergegeven:
Cliënt heeft zijn auto nodig voor werk en privé. Bovendien meen ik dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter, later oordelend, een verbeurdverklaring zal uitspreken. De inbeslaggenomen auto heeft geen enkel verband met de ten laste gelegde feiten en aan de wijze waarop cliënt de auto heeft verworven mankeert niets. Mocht de officier van justitie voornemens zijn een ontnemingsvordering in te dienen, dan is cliënt bereid een andere borg aan te bieden. Maar de auto heeft hij dringend nodig. Het persoonlijk belang van klager dient zwaarder te wegen dan het algemeen belang van strafvordering.
De officier van justitie verklaart, zakelijk weergegeven:
Ik verzet mij tegen teruggave van de auto aan klager. Het Openbaar Ministerie is voornemens klager te vervolgen ten aanzien van overtreding van de Opiumwet. Te zijner tijd zal in de strafzaak tegen klager de verbeurdverklaring worden geëist of een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel worden ingediend. In dit stadium van het onderzoek weegt het onderzoeksbelang zwaarder dan het persoonlijk belang van klager bij opheffing van het beslag. Het klaagschrift dient derhalve ongegrond te worden verklaard."
2.3. De bestreden beschikking houdt het volgende in:
"De raadsman van klager heeft in raadkamer onder meer aangevoerd dat het strafvorderlijk belang zich niet tegen teruggave verzet.
(...)
De rechtbank overweegt het volgende.
Op grond van art. 94 Sv Pro. kunnen voorwerpen in beslag worden genomen met het oog op de waarheidsvinding of om wederrechtelijk verkregen voordeel, als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aan te tonen, dan wel omdat zij in aanmerking komen voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer. Uit de stukken en de behandeling in raadkamer blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het inbeslaggenomen goed verbeurd zal verklaren of het wederrechtelijk verkregen voordeel zal ontnemen.
Gelet op het bovenstaande, is de rechtbank van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag.
Het beklag dient dan ook ongegrond te worden verklaard."
2.4. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat onder de klager enkel op de voet van art. 94 Sv Pro beslag is gelegd op de in het klaagschrift bedoelde personenauto.
Ingevolge het eerste lid van art. 94 Sv Pro zijn vatbaar voor inbeslagneming voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel, als bedoeld in art. 36e van het Wetboek van Strafrecht, "aan te tonen", terwijl ingevolge het tweede lid van die bepaling voorts vatbaar zijn voor inbeslagneming "alle voorwerpen welker verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer kan worden bevolen". Inbeslagneming van voorwerpen tot bewaring van het recht tot verhaal is geregeld in het hier niet toepasselijke art. 94a Sv.
Ten aanzien van het onderhavige beklag diende de rechtbank a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert en zo neen, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd (vgl. HR 25 september 2001, LJN AD5966, NJ 2002, 109). Het door art. 94 Sv Pro beschermde belang van strafvordering verzet zich onder meer tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer zal bevelen.
2.5. Voor zover de Rechtbank heeft geoordeeld dat het door het hier toepasselijke art. 94 Sv Pro gediende belang van strafvordering zich tegen teruggave verzet indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, "het wederrechtelijk voordeel zal ontnemen", heeft zij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
2.6. Voor zover de Rechtbank onder verwijzing naar "de stukken en de behandeling in raadkamer" heeft geoordeeld dat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het inbeslaggenomen goed verbeurd zal verklaren, is haar oordeel, mede gelet op hetgeen de raadsman van de klager over de mogelijkheid van verbeurdverklaring van de auto heeft aangevoerd, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.
2.7. Het middel is terecht voorgesteld.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden beschikking;
verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 maart 2009.