ECLI:NL:HR:2009:BG9831
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toepassing 30%-regeling en vergoeding dubbele huisvestingskosten bij ingekomen werknemer
Belanghebbende, woonachtig in Frankrijk, is vanaf 24 september 2001 in Nederland tewerkgesteld en komt in aanmerking voor de 30%-regeling. Voor het jaar 2002 heeft hij aangifte inkomstenbelasting gedaan met een belastbaar inkomen van €36.876, waarbij hij een belastingvrije vergoeding voor extraterritoriale kosten van €21.351 en een bedrag van €10.482 voor huisvesting buiten zijn woonplaats niet tot het belastbare inkomen heeft gerekend. De inspecteur heeft de belastingvrije vergoeding van €10.482 niet toegestaan naast de toepassing van de 30%-regeling.
De Rechtbank en het Hof verklaarden het beroep van belanghebbende ongegrond. De Advocaat-Generaal (A-G) Van Ballegooijen stelde dat kostenvergoedingen slechts in één rubriek van artikel 15a of 15b Wet LB thuishoren en dat de meest specifieke rubriek prevaleert. Artikel 15a, lid 1, onderdeel k, Wet LB is specifiek ten opzichte van het meer algemene artikel 15b, lid 1, onderdeel i, Wet LB. Dubbele huisvestingskosten vallen daardoor onder de extraterritoriale kosten en mogen niet dubbel vrij vergoed worden.
De A-G wees erop dat een dubbele vrije vergoeding in de praktijk leidt tot ongerechtvaardigde verschillen tussen werknemers die metterwoon zijn verhuisd en degenen die in hun land van herkomst blijven wonen. Voor 2001 kon naast de 35%-regeling kostenaftrek worden genoten voor tijdelijke huisvesting, maar onder de 30%-regeling kunnen daadwerkelijk gemaakte extraterritoriale kosten vrij vergoed worden, ook indien deze hoger zijn dan het forfait. De conclusie van de A-G was dat het beroep in cassatie ongegrond moet worden verklaard. De Hoge Raad heeft deze conclusie gevolgd en de uitspraak niet gepubliceerd.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en dubbele belastingvrije vergoedingen worden niet toegestaan.