ECLI:NL:HR:2009:BG9908

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C07/091HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt omvang rechtsstrijd in hoger beroep in civiele zaak over betaling

De zaak betreft een vordering van ING Bank tot betaling van €78.516,37 door eiser. De rechtbank Roermond wees de vordering toe, welke uitspraak door eiser in hoger beroep werd bestreden bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Na een tussenarrest waarbij eiser tot bewijs werd toegelaten, bekrachtigde het hof het vonnis van de rechtbank bij eindarrest.

Eiser stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen zowel het tussenarrest als het eindarrest van het hof. De Hoge Raad ontving conclusies van de Advocaat-Generaal die stelden het beroep te verwerpen. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen cassatiegronden opleverden en dat geen nadere motivering nodig was, mede gelet op artikel 81 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde eiser in de kosten van het geding in cassatie. Hiermee werd de omvang van de rechtsstrijd in hoger beroep bevestigd en de eerdere uitspraken gehandhaafd.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de eerdere uitspraken van rechtbank en hof worden bekrachtigd.

Uitspraak

13 maart 2009
Eerste Kamer
Nr. C07/091HR
RM/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
ING BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. J.A.M.A. Sluysmans.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de bank.
1. Het geding in feitelijke instanties
De bank heeft bij exploot van 11 juli 2003 [eiser] gedagvaard voor de rechtbank Roermond en gevorderd, kort gezegd, [eiser] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 78.516,37, met rente en kosten.
[Eiser] heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij vonnis van 10 maart 2004 de vordering toegewezen.
Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Na een tussenarrest van 19 april 2005, waarbij [eiser] tot bewijs is toegelaten, heeft het hof bij eindarrest van 24 oktober 2006 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen zowel het tussen- als het eindarrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld.
De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De bank heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [eiser] heeft op 23 januari 2009 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de bank begroot op € 2.426,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, J.C. van Oven en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 13 maart 2009.