ECLI:NL:HR:2009:BH0049
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Begrip vergezellen in EG-verordening 1774/2002 en verbindendheid van de verordening
In deze economische strafzaak stond de uitleg van het begrip 'vergezellen' zoals bedoeld in artikel 8 lid 3 van Pro de EG-verordening nr. 1774/2002 centraal. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem, Economische Kamer.
De raadsman van de verdachte diende schriftelijke middelen van cassatie in, waarop de Advocaat-Generaal Knigge concludeerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.
De Hoge Raad bevestigde daarmee de verbindendheid van de genoemde EG-verordening en verwierp het cassatieberoep. Het arrest werd gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter en raadsheren J.P. Balkema en J.W. Ilsink op 7 april 2009.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en het arrest van het Gerechtshof Arnhem blijft in stand.