ECLI:NL:HR:2009:BH0393

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/10669
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:268 lid 2 BWArt. 243 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over duurzame gemeenschappelijke huishouding bij medehuurderschap woonruimte

In deze zaak vordert eiser voortzetting van de huurovereenkomst van een woning die oorspronkelijk aan zijn grootouder was verhuurd. Eiser betoogt dat hij met zijn grootouder een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde, zoals bedoeld in art. 7:268 lid 2 BW Pro, en daardoor medehuurder is geworden.

De kantonrechter oordeelde in eerste aanleg bevestigend, maar het hof Amsterdam vernietigde dit vonnis en wees de vordering af, stellende dat tussen grootouder en kleinzoon per definitie geen duurzame gemeenschappelijke huishouding kan bestaan vanwege het ontbreken van een bijzondere lotsverbondenheid.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug naar het hof te 's-Gravenhage. De Hoge Raad stelt dat het hof een te beperkte opvatting hanteerde van het begrip duurzame gemeenschappelijke huishouding door de eis van bijzondere lotsverbondenheid te stellen. Ook oordeelt de Hoge Raad dat het tweede huwelijk van eiser geen invloed heeft op de beoordeling van de periode 1994-2004.

De Hoge Raad veroordeelt Ymere in de proceskosten en benadrukt dat de vraag of sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding niet per definitie kan worden uitgesloten tussen grootouder en kleinzoon.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling met de uitleg dat een duurzame gemeenschappelijke huishouding niet per definitie kan worden uitgesloten tussen grootouder en kleinzoon.

Uitspraak

20 maart 2009
Eerste Kamer
07/10669
RM/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. M.V. Polak,
thans mr. R.A.A. Duk,
t e g e n
STICHTING YMERE,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. D. Stoutjesdijk.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en Ymere.
1. Het geding in feitelijke instanties
[Eiser] heeft bij exploot van 14 februari 2005 Ymere gedagvaard voor de kantonrechter te Amsterdam en gevorderd, kort gezegd, te bepalen dat hij de huurovereenkomst met betrekking tot de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] voortzet.
Ymere heeft de vordering bestreden en een vordering in reconventie ingesteld. Deze vordering speelt in cassatie geen rol meer.
De kantonrechter heeft, na een comparitie van partijen te hebben gelast en [eiser] tot bewijslevering te hebben toegelaten, bij eindvonnis van 3 februari 2006 de vordering toegewezen.
Tegen dit vonnis heeft Ymere hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij arrest van 12 april 2007 heeft het hof het vonnis van de kantonrechter vernietigd en de vordering van [eiser] alsnog afgewezen, alsmede [eiser] veroordeeld de woning te ontruimen.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Ymere heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [eiser] mede door mr. F.W. van Herk, advocaat te Amsterdam.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot vernietiging van het bestreden arrest.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan, deels veronderstellenderwijze, van het volgende worden uitgegaan.
(i) De rechtsvoorganger van Ymere heeft aan [betrokkene 1], geboren [achternaam betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) een tweekamerwoning verhuurd aan de [a-straat 1] te [plaats] (hierna: de woning).
(ii) [Eiser], een kleinzoon van [betrokkene 1] en geboren in 1964, is op 11 mei 1994 in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven op het adres van de woning.
(iii) [Eiser] woonde aanvankelijk met zijn echtgenote op een ander adres in [plaats]; zijn huwelijk is in januari 1995 door echtscheiding ontbonden.
(iv) Bij brief aan Ymere van 22 juni 2004 hebben [eiser] en [betrokkene 1] verzocht [eiser] aan te merken als medehuurder van de woning, welk verzoek Ymere bij brief van 13 juli 2004 heeft afgewezen op de grond dat een gemeenschappelijke huishouding van grootouders en kleinkinderen per definitie niet duurzaam is.
(v) [Betrokkene 1] is op 27 augustus 2004 overleden.
(vi) Bij brief van 7 september 2004 is namens [eiser] aan Ymere verzocht de huurovereenkomst te mogen voortzetten, welk verzoek Ymere bij brief van 21 december 2004 heeft afgewezen.
3.2 Aan zijn vordering voor recht te verklaren dat hij de huurovereenkomst met betrekking tot de woning voortzet heeft [eiser] ten grondslag gelegd, kort gezegd, dat hij in de woning woont en aldaar ten tijde van het overlijden van [betrokkene 1] reeds meer dan tien jaar een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep concentreerde het geschil tussen partijen zich op de vraag of [eiser] met [betrokkene 1] een duurzame gemeenschappelijke huishouding (als in art. 7:268 lid 2 BW Pro bedoeld) heeft gehad. Die vraag is door de kantonrechter in bevestigende en door het hof in ontkennende zin beantwoord.
3.3 Ten betoge dat hij met [betrokkene 1] een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad, heeft [eiser] onder meer gesteld dat hij bij [betrokkene 1] is gaan wonen in verband met het einde van zijn eerste huwelijk en op verzoek van zijn moeder, de oudste dochter van [betrokkene 1], om [betrokkene 1] te verzorgen, alsmede dat [betrokkene 1] en hij de huishoudelijke taken verdeelden, samen kookten, aten, televisie keken en bezoek ontvingen en dat hij maandelijks een bedrag ter grootte van de vaste lasten betaalde. Het hof heeft die stellingen niet verworpen en heeft vastgesteld dat [eiser] reeds geruime tijd in de woning woont, dat hij ten tijde van de samenwoning met [betrokkene 1] de maaltijden samen met [betrokkene 1] nuttigde, dat hij de boodschappen deed en meebetaalde aan hun gemeenschappelijke huishouding. Niettemin oordeelde het hof (rov. 3.9) dat dit niet voldoende is "om een bijzondere lotsverbondenheid van hem en [betrokkene 1] als in dit geval vereist is, te kunnen aannemen".
3.4 Klaarblijkelijk heeft het hof wel aangenomen dat [eiser] en [betrokkene 1] in de woning een gemeenschappelijke huishouding hadden, maar oordeelde het dat die gemeenschappelijke huishouding, ook al heeft die tien jaren geduurd en is die pas door het overlijden van [betrokkene 1] geëindigd, niet duurzaam was in de zin van art. 7:268 lid 2 nu Pro geen "bijzondere lotsverbondenheid" tussen [eiser] en [betrokkene 1] kan worden aangenomen. Met het stellen van de eis van een bijzondere lotsverbondenheid is het hof uitgegaan van een te beperkte opvatting van het begrip "duurzame gemeenschappelijke huishouding" als in art. 7:268 lid 2 bedoeld Pro. De hierop gerichte klacht van onderdeel 1(a) slaagt derhalve.
3.5 Het hof heeft zijn oordeel dat [eiser] en [betrokkene 1] geen duurzame gemeenschappelijke huishouding hadden mede doen steunen op de omstandigheid dat [eiser] inmiddels is hertrouwd en binnenkort met zijn tweede vrouw in Nederland gaat samenwonen. Terecht betoogt onderdeel 4 dat aan dit tweede huwelijk, dat volgens de vaststelling van het hof op 20 januari 2006 in Marokko is gesloten, geen betekenis kan toekomen voor de vraag of [eiser] tussen 1994 en 2004 in de woning met [betrokkene 1] een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad.
3.6 De overige klachten behoeven geen behandeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 12 april 2007;
verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt Ymere in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 3.065,49 in totaal, waarvan € 2.990,49 op de voet van art. 243 Rv Pro. te betalen aan de griffier, en € 75,-- aan [eiser].
Dit arrest is gewezen door de raadsheren O. de Savornin Lohman, als voorzitter, A. Hammerstein, J.C. van Oven, W.A.M. van Schendel en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 20 maart 2009.