ECLI:NL:HR:2009:BH0393
Hoge Raad
- Cassatie
- O. de Savornin Lohman
- A. Hammerstein
- J.C. van Oven
- W.A.M. van Schendel
- C.A. Streefkerk
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over duurzame gemeenschappelijke huishouding bij medehuurderschap woonruimte
In deze zaak vordert eiser voortzetting van de huurovereenkomst van een woning die oorspronkelijk aan zijn grootouder was verhuurd. Eiser betoogt dat hij met zijn grootouder een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde, zoals bedoeld in art. 7:268 lid 2 BW Pro, en daardoor medehuurder is geworden.
De kantonrechter oordeelde in eerste aanleg bevestigend, maar het hof Amsterdam vernietigde dit vonnis en wees de vordering af, stellende dat tussen grootouder en kleinzoon per definitie geen duurzame gemeenschappelijke huishouding kan bestaan vanwege het ontbreken van een bijzondere lotsverbondenheid.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug naar het hof te 's-Gravenhage. De Hoge Raad stelt dat het hof een te beperkte opvatting hanteerde van het begrip duurzame gemeenschappelijke huishouding door de eis van bijzondere lotsverbondenheid te stellen. Ook oordeelt de Hoge Raad dat het tweede huwelijk van eiser geen invloed heeft op de beoordeling van de periode 1994-2004.
De Hoge Raad veroordeelt Ymere in de proceskosten en benadrukt dat de vraag of sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding niet per definitie kan worden uitgesloten tussen grootouder en kleinzoon.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling met de uitleg dat een duurzame gemeenschappelijke huishouding niet per definitie kan worden uitgesloten tussen grootouder en kleinzoon.