ECLI:NL:HR:2009:BH0609
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Geen toerekening kwade trouw gemachtigde aan belastingplichtige bij navordering enkelvoudige belasting
Deze uitspraak van de Hoge Raad betreft de vraag of kwade trouw van een gemachtigde kan worden toegerekend aan de belastingplichtige bij navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen voor de jaren 1999, 2000 en 2002. Het geschil ontstond omdat fouten in de aangifte door de gemachtigde waren gemaakt, maar er geen sprake was van een nieuw feit volgens artikel 16, lid 1, AWR. De centrale vraag was of de belastingplichtige zelf te kwader trouw was of dat de kwade trouw van de gemachtigde aan hem kon worden toegerekend.
Het Hof had geoordeeld dat de belastingplichtige niet te kwader trouw was, dat zij niet hoefde te twijfelen aan de deskundigheid van haar gemachtigde en dat haar geen verwijt kon worden gemaakt omtrent de keuze van de gemachtigde. Daarom liet het Hof de eventuele kwade trouw van de gemachtigde buiten beschouwing. De Staatssecretaris stelde dat het Hof dit had moeten onderzoeken en dat het fiscale IJzerdraad-arrest niet van toepassing was op enkelvoudige belasting.
De Advocaat-Generaal stelde dat het oordeel van het Hof standhoudt en dat de maatstaf dat de belastingplichtige niet hoefde te twijfelen en voldoende zorg had besteed aan de keuze van de gemachtigde, impliceert dat toerekening van kwade trouw van de gemachtigde niet aan de orde is. De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde daarmee dat in gevallen zonder nieuw feit en zonder kwade trouw van de belastingplichtige, de kwade trouw van de gemachtigde niet kan worden toegerekend.
Uitkomst: Het beroep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard; kwade trouw van de gemachtigde wordt niet toegerekend aan de belastingplichtige.