Uitspraak
[woonplaats].
17 februari 2009.
Hoge Raad
Op 7 april 2005 reed de verdachte als bestuurster van een motorrijtuig over de Europaweg-West te Assen en negeerde zij een rood verkeerslicht bij een kruising met de Westerwoldestraat en Witterstraat. Hierdoor botste zij tegen een bromfietser die de kruising overstak, wat resulteerde in zwaar lichamelijk letsel van het slachtoffer.
De bewezenverklaring berustte op diverse politieprocessen-verbaal, waaronder verklaringen van het slachtoffer, de verdachte zelf, en getuigen die het ongeval observeerden. Uit deze verklaringen bleek dat de verdachte het rode verkeerslicht niet had gezien en onoplettend was, terwijl het slachtoffer met groen licht de kruising overstak.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had vastgesteld dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend had gereden in de zin van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. Het cassatieberoep faalde omdat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk was en geen onjuiste rechtsopvatting bevatte.
De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde daarmee de schuld van de verdachte aan het verkeersongeval met zwaar letsel als gevolg.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de schuld van de verdachte aan het verkeersongeval door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijden.