ECLI:NL:HR:2009:BH1451
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- W.M.E. Thomassen
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over oplegging ISD-maatregel en redelijke termijn
De zaak betreft het cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin de oplegging van een ISD-maatregel aan verdachte werd afgewezen. Het Hof overwoog dat geen concreet uitzicht bestond op een passende behandeling of gedragsverandering, mede omdat verdachte medewerking aan rapportages weigerde en eerdere hulpverlening niet tot gedragsverandering leidde.
Het middel klaagde dat het Hof onjuiste rechtsopvattingen had gehanteerd door concrete behandelvooruitzichten als noodzakelijke vereisten te stellen voor de ISD-maatregel. De Hoge Raad verwierp dit middel omdat art. 38m Sr de rechter de discretionaire bevoegdheid geeft om de maatregel niet op te leggen, ook als aan de voorwaarden is voldaan.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn was overschreden, waardoor de opgelegde gevangenisstraf werd verminderd met elf maanden en twee weken, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De rest van het beroep werd verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn, de ISD-maatregel is niet opgelegd.