ECLI:NL:HR:2009:BH1951

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
42925
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.42 lid 8 Wet inkomstenbelasting 2001
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen cassatiemogelijkheid bij andere klachten dan inzake schending of verkeerde toepassing van investeren en bedrijfsmiddelen

De Minister van Economische Zaken wees de verzoeken van belanghebbende om een verklaring ten behoeve van energie-investeringsaftrek af. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven verklaarde de beroepen tegen deze beslissingen ongegrond. Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen de uitspraak van het College.

De Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep slechts ontvankelijk is indien het betrekking heeft op schending of verkeerde toepassing van de begrippen investeren en bedrijfsmiddelen, zoals bepaald in artikel 3.42, lid 8, Wet inkomstenbelasting 2001. Het middel van belanghebbende richtte zich op het vereiste van een onherroepelijke bouwvergunning, wat wel relevant is voor de aanwijzing van energie-investeringen, maar geen invloed heeft op de begrippen investeren en bedrijfsmiddelen.

Daarom kon het middel niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad wees het beroep in cassatie af en legde geen proceskostenveroordeling op. Dit arrest bevestigt de beperkte ontvankelijkheid in cassatie bij geschillen over energie-investeringsaftrek.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard wegens niet-ontvankelijkheid van klachten buiten de begrippen investeren en bedrijfsmiddelen.

Uitspraak

Nr. 42.925
6 februari 2009
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 29 november 2005, nrs. AWB 04/888 en 05/113, betreffende beschikkingen inzake energie-investeringen.
1. Het geding in feitelijke instantie
De Minister van Economische Zaken (hierna: de Minister) heeft bij beschikkingen van 26 mei 2004 en 12 oktober 2004 de verzoeken van belanghebbende om een verklaring ten behoeve van energie-investeringsaftrek afgewezen.
De Minister heeft de tegen deze beschikkingen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) heeft de tegen die beslissingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. De uitspraak van het College is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het College beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Minister heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
De uitspraak van het College, voor zover in cassatie bestreden, betreft een verzoek om een verklaring in het kader van de toepassing van de energie-investeringsaftrek. Beroep in cassatie tegen een zodanige uitspraak kan op de voet van artikel 3.42, lid 8, Wet inkomstenbelasting 2001 worden ingesteld ter zake van schending of verkeerde toepassing van de begrippen investeren en bedrijfsmiddelen.
Het middel strekt ten betoge dat belanghebbende het vereiste van een onherroepelijke bouwvergunning niet, of slechts voor een deel van de investering kan worden tegengeworpen.
Het bedoelde vereiste is van betekenis in het kader van de aanwijzing van investeringen als energie-investeringen, doch heeft geen invloed op de begrippen investeren en bedrijfsmiddelen. Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2009.