ECLI:NL:HR:2009:BH1951
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Geen cassatiemogelijkheid bij andere klachten dan inzake schending of verkeerde toepassing van investeren en bedrijfsmiddelen
De Minister van Economische Zaken wees de verzoeken van belanghebbende om een verklaring ten behoeve van energie-investeringsaftrek af. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven verklaarde de beroepen tegen deze beslissingen ongegrond. Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen de uitspraak van het College.
De Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep slechts ontvankelijk is indien het betrekking heeft op schending of verkeerde toepassing van de begrippen investeren en bedrijfsmiddelen, zoals bepaald in artikel 3.42, lid 8, Wet inkomstenbelasting 2001. Het middel van belanghebbende richtte zich op het vereiste van een onherroepelijke bouwvergunning, wat wel relevant is voor de aanwijzing van energie-investeringen, maar geen invloed heeft op de begrippen investeren en bedrijfsmiddelen.
Daarom kon het middel niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad wees het beroep in cassatie af en legde geen proceskostenveroordeling op. Dit arrest bevestigt de beperkte ontvankelijkheid in cassatie bij geschillen over energie-investeringsaftrek.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard wegens niet-ontvankelijkheid van klachten buiten de begrippen investeren en bedrijfsmiddelen.