Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2009:BH2687

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 april 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/11176 P
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.J.A. van Dorst
  • B.C. de Savornin Lohman
  • H.A.G. Splinter-van Kan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359, tweede lid, SvArt. 6, eerste lid, EVRMArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering van betalingsverplichting bij ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens termijnoverschrijding

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene had beroep ingesteld tegen de hoogte van het bedrag dat moest worden betaald.

De verdediging stelde dat het hof ten onrechte niet had gemotiveerd waarom het was afgeweken van het standpunt dat verklaringen van een getuige niet als bewijs konden dienen. Dit standpunt was neergelegd in een pleitnota die aan het proces-verbaal was gehecht. De Hoge Raad oordeelde echter dat het proces-verbaal niet inhoudt dat de raadsman het woord heeft gevoerd overeenkomstig die pleitnota, noch dat het hof daarmee had ingestemd.

De Hoge Raad verwierp daarom het middel dat stelde dat het standpunt uit de pleitnota was vertolkt in hoger beroep. Tevens stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn was overschreden, waardoor de betalingsverplichting werd verminderd van €135.000 naar €130.000. Het beroep werd voor het overige verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting tot €130.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn en verwerpt het beroep voor het overige.

Uitspraak

7 april 2009
Strafkamer
nr. 07/11176 P
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 5 maart 2007, nummer 22/000885-06, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[Betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. R.B.J.G. Baggen, advocaat te Arnhem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het tweede middel
2.1. Het middel klaagt dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid, Sv heeft nagelaten in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat de verklaringen van de getuige [betrokkene 1] wegens onjuistheid of onbetrouwbaarheid niet tot het bewijs konden worden gebezigd.
2.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer in:
"De raadsman voert het woord tot verdediging. De raadsman merkt op dat hij zich aansluit bij zijn voorganger, mr. B.J. de Deugd, en verzoekt om diens pleitnota, welke is overgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg, hier als herhaald en ingelast te beschouwen."
Genoemde pleitnota is aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehecht.
2.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt niet in dat de raadsman aldaar het woord heeft gevoerd overeenkomstig de pleitnota van mr. B.J. de Deugd. Het proces-verbaal houdt evenmin in dat het Hof heeft ingestemd met het verzoek van de raadsman om die pleitnota "hier als herhaald en ingelast te beschouwen". In cassatie moet het er daarom voor worden gehouden dat noch het een noch het ander is geschied. De enkele omstandigheid dat genoemde pleitnota aan dat proces-verbaal is gehecht, dwingt niet tot een ander oordeel.
2.4. Het middel, dat ervan uitgaat dat de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep het standpunt heeft vertolkt dat is weergegeven in de pleitnota die bij de behandeling van de zaak in eerste aanleg is overgelegd, mist derhalve feitelijke grondslag en kan dus niet tot cassatie leiden.
3. Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting van € 135.000,-.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van het opgelegde bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 130.000,- bedraagt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 7 april 2009.