ECLI:NL:HR:2009:BH3151
Hoge Raad
- Cassatie
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- J.C. van Oven
- C.A. Streefkerk
- W.D.H. Asser
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing van vorderingen bank tegen CRB, OBF en eiser in cassatie
In deze zaak stond een geschil tussen voormalige echtelieden en diverse ondernemingen centraal over betaling van aanzienlijke geldbedragen aan ING Bank N.V. De bank had primair gevorderd dat CRB, OBF en eiser hoofdelijk werden veroordeeld tot betaling van respectievelijk €364.391,75 en €334.152,24 met rente, en subsidiair tot schadevergoeding. De rechtbank wees de vorderingen af, maar het hof vernietigde dit en veroordeelde de genoemde partijen tot betaling van hogere bedragen met rente.
Tegen het arrest van het hof werd cassatie ingesteld door eiser en voorwaardelijk incidenteel door de bank. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten in het cassatiemiddel niet voldoen aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv Pro. en dat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde zijn.
Daarom verwierp de Hoge Raad het cassatieberoep en bevestigde het arrest van het hof, waarbij de bankvorderingen werden toegewezen. Tevens werden de kosten van het cassatiegeding aan eiser opgelegd. De uitspraak werd gedaan door een kamer van vier raadsheren op 17 april 2009.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.