ECLI:NL:HR:2009:BH3151

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 april 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/13497
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 407 lid 2 RvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing van vorderingen bank tegen CRB, OBF en eiser in cassatie

In deze zaak stond een geschil tussen voormalige echtelieden en diverse ondernemingen centraal over betaling van aanzienlijke geldbedragen aan ING Bank N.V. De bank had primair gevorderd dat CRB, OBF en eiser hoofdelijk werden veroordeeld tot betaling van respectievelijk €364.391,75 en €334.152,24 met rente, en subsidiair tot schadevergoeding. De rechtbank wees de vorderingen af, maar het hof vernietigde dit en veroordeelde de genoemde partijen tot betaling van hogere bedragen met rente.

Tegen het arrest van het hof werd cassatie ingesteld door eiser en voorwaardelijk incidenteel door de bank. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten in het cassatiemiddel niet voldoen aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv Pro. en dat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde zijn.

Daarom verwierp de Hoge Raad het cassatieberoep en bevestigde het arrest van het hof, waarbij de bankvorderingen werden toegewezen. Tevens werden de kosten van het cassatiegeding aan eiser opgelegd. De uitspraak werd gedaan door een kamer van vier raadsheren op 17 april 2009.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.

Uitspraak

17 april 2009
Eerste Kamer
07/13497
DV/IS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. CRB CONTRACTTEELT & ROYALTY BEHEER B.V.,
2. OBF HOLLAND B.V.,
beide gevestigd te Rotterdam,
3. [Eiser 3],
wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie, verweerders in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
advocaat: mr. P.A.M. Perquin,
t e g e n
ING BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en de Bank, eisers afzonderlijk ook als CRB, OBF en [eiser 3].
1. Het geding in feitelijke instanties
De Bank heeft bij exploten van 26 augustus en 2 september 1996 [eiser] c.s. en [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]), wonende te [woonplaats], gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam en, na vermeerdering van eis, gevorderd, kort gezegd, primair:
- CRB, [eiser 3] en [betrokkene 1] hoofdelijk te veroordelen om aan de Bank te betalen een bedrag van € 364.391,75 met rente,
- OBF, [eiser 3] en [betrokkene 1] hoofdelijk te veroordelen om aan de bank te betalen een bedrag van € 334.152,24 met rente,
en subsidiair om [eiser] c.s. en [betrokkene 1] te veroordelen tot betaling aan de bank van een schadevergoeding op te maken bij staat.
[Eiser] c.s. en [betrokkene 1] hebben de vordering bestreden.
De rechtbank heeft, na bij tussenvonnis van 22 oktober 2003 partijen gelegenheid te hebben gegeven een nadere conclusie te nemen, bij eindvonnis van 28 april 2004 de vorderingen van de Bank afgewezen.
Tegen de vonnissen van de rechtbank hebben de Bank hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. In hoger beroep heeft de Bank haar vordering wederom gewijzigd. [Eiser] c.s. hebben incidenteel hoger beroep ingesteld.
Na mondelinge behandeling heeft het hof bij arrest van 27 maart 2007 de vonnissen waarvan beroep vernietigd en, opnieuw rechtdoende, CRB, [eiser 3] en [betrokkene 1] veroordeeld om aan de Bank een bedrag van € 379.106,26 te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 26 augustus 1996 tot de voldoening en OBF, [eiser 3] en [betrokkene 1] veroordeeld om aan de Bank een bedrag van € 300.941,05 te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 26 augustus 1996 tot de voldoening.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De Bank heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de Bank mede door mr. J.W. Hoekzema, advocaat te Amsterdam.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot niet-ontvankelijkverklaring omdat de klachten geen van alle voldoen aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv Pro., dan wel verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Bank begroot op € 5.987,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, J.C. van Oven en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.D.H. Asser op 17 april 2009.